Limburg - Paul, Herman, Johan van

Chantilly, Musée, Condé, Ms. 65, f. 1v-12v: kalender

 

De kalender - bespreking van de miniaturen

 

Januari

 

De afbeelding toont de dag die werd besteed aan de uitwisseling van geschenken hoewel op de miniatuur geen geschenken te bespeuren zijn. Meerdere kunsthistorici zijn dan ook van oordeel dat het thema van deze miniatuur elders moet gezocht worden De hertog zit aan tafel naast een prelaat over wiens identiteit ook verschillende theorieën de ronde doen. Het baldakijn boven hem toont de heraldische motieven van de hertog: gouden lelies op een blauwe achtergrond. Ook de gewonde zwaan en de beer, geliefde symbolen van de hertog, zijn terug te vinden op het baldakijn. Het haardvuur brandt achter een rond rieten scherm, de tafel is gedekt met damast en men ziet een gouden vat in de vorm van een schip, versierd met de zwaan en de beer, dat tafelgerei en zout en kruiden bevat. Achter hem zijn personen te zien die binnenkomen en hun handen warmen aan het vuur. De kamerheer verwelkomt hen met de in de afbeelding opgenomen woorden 'Approche approche' (kom dichterbij). De honden van de hertog lopen vrij rond. De figuur met de over het oor gevouwen muts zou mogelijk een zelfportret zijn van Paul van Limburg, maar deze aanname wordt door een aantal kenners sterk betwijfeld.

 

Op de voorgrond ziet men onder anderen een schenker en drie adellijke jongelui die belast zijn met de bediening aan tafel. Op de achtergrond hangt een wandtapijt dat waarschijnlijk (de bijschriften zijn tot nu toe niet ontcijferd) een beeld geeft van de Trojaanse Oorlog, zoals men die zich voorstelde in het middeleeuwse Frankrijk.

 

Chantilly, Musée, Condé, Ms. 65, f. 1v: januari (detail)

 

Februari

 

De afbeelding voor de maand februari toont een winters tafereel waarin de koudste maand van het jaar wordt uitgebeeld. Op de achtergrond is tussen de besneeuwde heuvels een dorpje zichtbaar. Een boer of koopman is naar het dorp onderweg om zijn waren daar aan de man te brengen.

 

Op de voorgrond is een boerenstee afgebeeld, voorzien van vele details, waaronder bijenkorven, een schaapskooi, en vogels die naar voedsel zoeken, het geeft een goed beeld van hoe een boerderij er in die tijd heeft uitgezien. In de woning warmen de bewoners zich aan het haardvuur, de vrouw op de voorgrond op iets decentere manier dan het stel daarachter. De achtergrond van de miniatuur toont een prachtig uitgewerkt landschap, zeer delicaat verlicht, wat zich weerspiegelt in de kleuren van de sneeuw. Het realisme van de Vlaamse Primitieven wordt duidelijk aangekondigd in deze miniatuur.

 

Deze miniatuur stond model voor het kalenderblad van februari in het Breviarium-Grimani.

 

Chantilly, Musée, Condé, Ms. 65, f. 5v: mei (detail)

 

Juni

 

Voor de illustratie van de kalenderpagina voor de maand juni heeft de miniaturist terug gegrepen naar de werken die op het land gebeuren. We zien boeren en boerinnen aan het werk op een weiland tijdens het hooien. De mannen gekleed in een kort hemd, blootsvoets en met blote benen zijn met de zeis het grasland aan het maaien. De vrouwen harken het hooi bij elkaar en maken de hooimijten klaar voor de nacht. Op zonnige dagen werd het hooi ’s morgens uitgespreid om beter te drogen en tegen het vallen van de avond terug opgetast. Dit was een typisch werk voor de vrouwen. Ook de boerenmeisjes op deze miniatuur worden elegant en gracieus voorgesteld in de hoofse stijl van de internationale gotiek.

 

De scène speelt zich af nabij de Parijse residentie van de hertog, het Hôtel de Nesle, gelegen op de linkeroever van de Seine tegenover het Louvre. Het Hôtel de Nesle bevond zich ongeveer waar nu de Mazarine bibliotheek is, in de rechtervleugel van het Institut de France. Men ziet op de achtergevel van het Palais de la Cité, tot in de tijd van Karel V die zijn intrek nam in het Louvre, de koninklijke residentie in Parijs. Rechts op de afbeelding staat de Sainte-Chapelle, de koninklijke privé-kapel.

 

Geheel links is een poort in de muur zichtbaar, die leidt naar de rivier waar een bootje langs vaart. Op deze plek bevindt zich momenteel het ruiterstandbeeld van Hendrik IV, bij de Pont Neuf.

 

Deze miniatuur zou niet van de hand van de gebroeders van Limburg zijn maar werd gemaakt of afgewerkt omstreeks 1440-1450 door de zogenaamde tussenschilder (Barthélemy van Eyck).

 

Chantilly, Musée, Condé, Ms. 65, f. 7v: juli (detail)

 

Augustus

 

De illustratie bij de maand augustus toont een combinatie van het leven aan het hof en het werk op de akkers. Op het voorplan zien we een gezelschap dat vertrekt op valkenjacht, een populaire bezigheid in de hogere kringen. Vooraan loopt een valkenier met twee vogels op zijn linkerarm en een lange stok in zijn rechterhand. Die moest dienen om in de bomen en op de struiken te slaan om het wild op te jagen. Aan zijn gordel draagt hij een loer in de vorm van een vogel. De loer werd in de lucht aan een touw rondgedraaid om de valken terug te lokken. Met valken joeg men vooral op kraanvogels, zwanen en watervogels zoals de eend. Het was de enige jacht waaraan vrouwen konden deelnemen. Er werd gejaagd met afgerichte valken of sperwers. De jachthonden zijn ook van de partij om het wild op te jagen en de gedode vogels te apporteren.

 

Naast de valkenier zien we twee paartjes en een dame die deelnemen aan de jacht. De dame in het midden in amazonezit op haar prachtige witte schimmel trekt meteen de aandacht. Voor haar rijdt een koppel waarvan de man zijn valk net loslaat en achteraan zien we ook een paartje samen op een paard, dat blijkbaar meer in elkaar geïnteresseerd is dan in de valkerij.

 

Op de achtergrond zien we het kasteel van Étampes dat de hertog verworven had in 1400. Tijdens de Franse burgeroorlog, het conflict tussen de Bourgondiërs en de Armagnacs, gaf Jean de Berry aan Louis d'Orléans de toelating om een garnizoen in Étampes te legeren. In 1411 werd Étampes belegerd en ingenomen door Jan zonder Vrees samen met de dauphin en pas bij de vrede van Auxerre op 22 augustus 1412 werd het graafschap en het kasteel aan Jean de Berry teruggegeven. De resten van de hoge donjon van het kasteel zijn ook vandaag nog te zien.

 

Op de velden tussen het kasteel en de rivier, de Juine, zien we boeren aan het werk. Rechts zien we aan man die het graan aan het maaien is en een helper die het gemaaide graan opbindt in schoven. Aan de linkerkant zien we hoe de schoven op een wagen worden geladen. Maar ook de boeren weten zich te even te ontspannen door het nemen van een bad in de rivier. Een vrouw die zich juist ontkleed heeft gaat te water, een figuur aan de rechterkant klimt er juist uit. Twee andere zwemmers zijn zichtbaar in de rivier.

 

Chantilly, Musée, Condé, Ms. 65, f. 10v: oktober (detail)

 

November

 

De afbeelding voor november is, afgezien van het halfrond bovenaan, van de hand van Jean Colombe, die het getijdenboek, dat na de dood van de hertog en van de gebroeders van Limburg onafgemaakt achterbleef, in opdracht van Karel I van Savoye aanvulde. Er is een opvallend verschil in stijl met de overige kalenderpagina's, bijvoorbeeld de boeren zijn veel ruwer dan dit bij de Limburgs het geval was, maar ook het kleurenpalet is verschillend en de penseelvoering is duidelijk anders (vergelijk november en mei). Karel van Savoye brak blijkbaar ook met de traditie van het grote kasteel op de achtergrond dat we in alle andere miniaturen, met uitzondering van januari en februari terugvinden.

 

Het tafereel dat hier uitgebeeld wordt verwijst naar de glandée, dat was het recht dat de boeren hadden om hun varkens in het bos de eikels en eventueel de beukennootjes te laten vreten, men noemt dit het akeren. Normaal was alles wat in het bos groeide en bloeide eigendom van de heer maar het was een traditie, al in voege bij de Kelten, gegroeid uit het gewoonterecht dat tussen begin september tot eind oktober, afhankelijk van de streek, de boeren hun varkens het woud mochten insturen voor de eikeloogst. Dikwijls werd de heer vergoed door een of meer varkens af te staan in functie van het aantal varkens die van het recht gebruik hadden gemaakt. Dit thema werd dikwijls afgebeeld in middeleeuwse miniaturen, glasramen en sculpturen en men associeerde het thema dan vaak met de parabel van de verloren zoon, die de varkens hoedde voor hij naar zijn vader terugkeerde.

 

Centraal in de illustratie staat een zwijnenhoeder. Hij staat op het punt een tak in de bomen te gooien, zodat de door de dieren gezochte eikels omlaag zullen vallen. Zijn hond houdt toezicht op het tafereel. Op de achtergrond zijn andere boeren in het bos te zien, die eveneens hun varkens hoeden. Het landschap in de achtergrond, met een burcht in de marge een berg en een rivier die zich tussen de bergen in de verte slingert, wordt dikwijls met de streek van de Savoye geassocieerd, omdat het handschrift in het bezit was van Karel I van Savoye toen deze miniatuur gerealiseerd werd.

 

Chantilly, Musée, Condé, Ms. 65, f. 54v-64v: de zuivering van de maagd - de val van de opstandige engelen

 

De val van de opstandige engelen

 

We zien op deze miniatuur de opstandige engelen van uit hun zetel in de hemel naar beneden tuimelen naar de aarde waar ze worden opgeslokt om te verdwijnen in de hel. De aanzetter van de revolte, Lucifer, is de eerste die in de hel verdwijnt. De hemel wordt voorgesteld als een ruimte met een soort koorgestoelte waarin God de Vader presideert in het centrum. Vooraan staan een aantal engelen in wapenrusting die hun verdoemde collega’s uit de hemel stoten. Het thema wordt eigenlijk nooit gebruikt in getijdenboeken. Dit tafereel is misschien gebaseerd op een retabel dat bewaard wordt in het Louvre, La Chute des anges rebelles (D.L. 1967-1-a), van de hand van een anonieme Sienese meester uit de omgeving van Simone Martini.

 

Deze miniatuur is toegevoegd net voor het begin van de boetepsalmen hoewel het thema niet met deze oudtestamentische tekst in verband kan gebracht worden, de revolte van Lucifer tegen god wordt eigenlijk alleen uitgebreid verteld in apocriefe boeken, maar het verhaal was in de middeleeuwen heel populair.

 

Lucifer in de hel

 

Bij het einde van het officie van de doden vinden we de miniatuur die de hel voorstelt. Lucifer (Leviathan), nog steeds met zijn engelenkroon aan, ligt op een rooster waaronder het vuur wordt aangewakkerd door drie grote blaasbalgen. Hij verslindt de zondaars en spuwt ze dan weer uit in een vlammenzuil die tot de hemel opstijgt. Overal zien we zondaars die gekweld en gefolterd worden door de afschuwelijke demonen. Zoals gebruikelijk bij dergelijke scènes zijn de geestelijken, te herkennen aan hun tonsuur, goed vertegenwoordigt tussen de verdoemden. De voorstelling zou gebaseerd zijn op een Latijnse tekst van ca. 1149, Het visioen van Tnudgal (Visio Tnugdali), een tekst van Marcus een Ierse monnik, maar geschreven in Regensburg. In tegenstelling tot het thema van de val van de engelen wordt de hel zeer regelmatig afgebeeld in getijdenboeken.

 

Plan van Rome

 

Het plan van Rome werd tussengevoegd na de getijden voor de weekdagen en voor de passiegetijden. Deze miniatuur heeft uiteraard niets van doen met een getijdenboek. Het plan is een ronde miniatuur in vogelperspectief van de stad met het zuiden bovenaan. Kaarten opstellen in ronde vorm was zeer gebruikelijk in de middeleeuwen zoals we kunnen zien in de talrijke mappae mundi die zijn bewaard gebleven.

 

De kaart is uiteraard niet accuraat, maar de meeste belangrijke gebouwen van de heilige stad zijn goed terug te vinden op de kaart: buiten de omwalling rechtsboven de St. Paulus-buiten-de-muren, links ervan binnen de stad de St. Jan-van-Lateranen; de rechterarm van het aquaduct komt uit bij het Colosseum. Rechts daarvan de Palatinus als gotische kerk met steunbogen, daaronder de triomfboog van Titus en de S. Francesca Romana. Links daarvan de S. Maria Maggiore en eronder de heuvel van het Capitool. Rechtsonder, over de Tiber maar nog binnen de stad zien we een groot gebouwencomplex met de Sint Pieter.

 

De overeenkomst van de kaart van Rome van de Limburgs met de kaart van Rome geschilderd door Taddeo di Bartolo in het Palazzo Pubblico in Siena is vrij opmerkelijk, maar ook een kaart in een handschrift met de "Samenzwering van Catilina" (De Coniuratione Catilinae) van Gaius Sallustius Crispus toont sterke overeenkomsten met die van de gebroeders van Limburg. Waarschijnlijk circuleerden nog ander voorbeelden ten tijde van de Limburgs waarop zij zich gebaseerd kunnen hebben.

Dat de fresco van Taddeo di Bartolo als voorbeeld heeft gediend is overigens uiterst onwaarschijnlijk, aangezien dit fresco pas werd geschilderd tussen 1413-1414. Bovendien vertoont de kaart van de Gebroeders enige fouten, zoals het als een toren weergegeven Colosseum, die niet voorkomen op de kaart van Di Bartolo.

 

De nachtscenes - een tweetal bijzonder miniaturen

 

Het scherpe waarnemingsvermogen van de Gebroeders van Limburg blijft door de eeuwen heen verbazen, waarbij twee nachtelijke scènes dit het best illustreren. Het tafereel van de Kruisiging op f. 153r laat ons het moment van het overlijden van Christus zien waarbij de aarde plotsklaps verduistert. Licht is niet geheel afwezig, maar het is wel plotseling vreemd koud en donker. Deze weergave van de bijbelse zonsverduistering is een uitvinding van de Gebroeders.

 

Catalogus

 

Eigenhandige/Toegeschreven werken

 

Chantilly, Musée Condé

 

Ms 65 Très Riches Heures de Jean, duc de Berry, begonnen ca 1413-1416 door Gebroeders van Limburg, voltooid ca 1485 door Jean Colombe; enige kalenderminiaturen wellicht, mede, door Barthélemy van Eyck; zie aldaar lit: Durrieu 1904 (2)||Bober 1948||Longnon & Cazelles 1969|| Meiss 1974, p. 143-224, 308-324, 361-2||Cazelles 1983|| Chatelet 2000, p. 142-157||Walther 2001, p. 280-5|| Stirnemann 2005

 

New York, Metropolitan Museum of art, the Cloisters

 

Acc. Nr. 54.1.1 Les Belles Heures de Jean de Berry, Frankrijk (Parijs), ca 1405-1408/9 lit: Hamburg 1969, nr. 38||Meiss 1974, p. 102-142, 331-336||Meiss & Beatson 1974||Plummer 1974||Chatelet 2000, p. 137-141||König 2003||König 2004||Parijs 2004, nr. 188||Nijmegen 2005, nrs. 93-102

 

Parijs, Bibliothèque Nationale

 

Ms fr. 166 Bible Moralisée, Parijs, 1402-1404, 1450-1465, 1485-1493 begonnen door de Gebroeders van Limburg, voortgezet door de Meester van Jeanne de Laval en de Meester van de Boccaccio van Genève, voltooid door o.a. Georges Trubert (?); de frontispiece met een tekening van Hieronymus in zijn studeerkamer werd ca 1420 vervaardigd door de Meester van Hieronymus naar een ontwerp van de Gebroeders van Limburg, aldus Meiss 1974 (zie omtrent deze tekening, ook voor verdere literatuur, onder: Meester van Hieronymus) lit: Parijs 1904, nr. 88||Laborde 1911-1925, p. 94-97, 102-114, pl. IV, p. 739-750||Parijs 1937, nr. 132||Bourges 1951, nr. 12|| Parijs 1955, nr. 188||Wenen 1962, nr. 105||Meiss 1974, p. 81-101, 342-3||Parijs 1993, nr. 56||Chatelet 2000, p. 133-136||Lowden 2000, I, p. 251-284||(Parijs 2004, nr. 184||Nijmegen 2005, nr. 92

 

Ms lat. 18014 Petites heures de Jean de Berry (1 miniatuur waarin Jean de Berry op reis gaat, op fol. 288v, toegevoegd door Jean de Limbourg te Frankrijk (Parijs of Bourges?), ca 1412 lit: Parijs 1904, nr. 69|| Parijs 1907, nr. 21||Parijs 1955, nr. 182, 190||Wenen 1962, nr. 103||Meiss 1974, p. 361, fig. 405||Parijs 1981, nr. 297||Avril, Dunlop & Yapp 1989||Parijs 1993, nr. 2||Parijs 2004, nr. 41||Nijmegen 2005, nr. 104

 

Ms nouv. Acq. Lat. 3093 Très belles heures de Notre-Dame du Duc Jean de Berry, Parijs ca 1390 en Bourges (?) ca 1405-1409, verluchting ff. 2, 28, 42, 50, 56, 62, 68, 76, 104, 155, 181, 189, 194 en 197 door Meester van het Parament van Narbonne/Etienne Lannelier?, ff. 162, 166, 169, 173, 176, 178, 203, 209 en 216 door de Meester van de Heilige Geest van de Très belles heures en de Meester van Johannes de Doper van de Très belles heures; ff. 225 en 240 door de Gebroeders van Limburg lit: Meiss 1974 p. 361, fig. 500, 501||Voor verdere literatuur zie onder: Meester van het Parement van Narbonne

 

Vaticaanstad, Biblioteca Apostolica Vaticana

 

Ms reg. Lat. 939 Valerius Maximus, De dictis factisque mirabilibus, Frankrijk (Parijs), ca 1410 bevat 1 miniatuur met de auteur in zijn studeervertrek, door de Gebroeders lit: Meiss 1974, p. 357, 362, fig. 429||Nijmegen 2005, nr. 103

 

Washington, D.C., National Gallery of Art

 

Rosenwald collectie, B-13, 520 Losse miniatuur uit getijdenboek voorstellende St. Christopher die het Kind draagt, ca 1409 (zie gelijkenis met f. 165r Belles Heures) lit: Baltimore 1949, nr. 78||Meiss 1974, p. 362||Nijmegen 2005, nr. 106

 

Verwante handschriften

 

Chantilly, Musée Condé

 

Ms 66 getijdenboek, door Meester van Spitz; zie aldaar

 

Londen, Courtauld Museum (voormalige collectie van Antoine Seilern)

 

Getijdenboek lit: Meiss 1974, p. 239, 330, figs. 424, 425, 469, 625-633

 

New York, Pierpont Morgan Library

 

Ms M 865 getijdenboek, Frankrijk (Bretagne?), ca 1425, verluchting door Meester van Morgan 865 lit: Plummer 1982, nr. 26

 

Philadelphia, Free Library

 

Ms Widener 5 getijdenboek, Frankrijk (Bretagne?), ca 1425, verluchting door Frankrijk (School) 1400-1425, met toevoegingen uit Getijdenboek uit ca 1470 in Brugge verlucht door Willem Vrelant: f. 13v Sint Anna, 19v: visitatie, 24v triniteit, 37v sint Michael, 46v Vlucht naar Egypte, 52v Sint Christoffel met Christuskind, 65v Sint Bernard lit: De Ricci 1935-1940, II, p. 2116, nr. 5||Meiss 1974, nr. 112||Philadelphia 2001, nr. 20||Zie voor verdere literatuur ook onder Willem Vrelant

 

Copie naar verloren werk

 

Bourges

Charter of St. Chapelle (verloren), Jean Berry inspecteert een canon van de St. Chapelle (Charter dd 18-4-1405) lit: Meiss 1974, p. 361, fig. 387

Parijs, Bibliothèque Nationale, Cabinet des Estampes

Gaignieres Collectie, Oa 13 Res. F 15 Portret van Jean de Berry (copie ca 1700) lit: Meiss 1974, p. 362, fig. 604

 

Literatuur

 

Bastard d’Estang 1832-1869

Crowe & Cavalcaselle 1875

Delisle 1884 (over alle gtb)

De Champeaux 1888

Guiffrey 1894-1896

Durrieu 1904 (2)

Parijs 1904, nrs. 69, 88

Fry 1905

Parijs 1907, nr. 21

Conway 1910-1911

Durrieu 1911 (3)

Winkler 1911

Laborde 1911-1925, p. 94-97, 102-114, pl. IV, p. 739-750

De Ricci 1935-1940, II, p. 2116, nr. 5

Parijs 1937, nr. 132

Bober 1948

Baltimore 1949, nr. 78

Bourges 1951, nr. 12

Panofsky 1953, p. 61-66

Porcher 1953

Gorissen 1954

Morand 1954

Parijs 1955, nr. 182, 188, 190

Longnon 1956

Gorissen 1957

Porcher 1959, p. 62-65

Wenen 1962, nrs. 103, 105

Longnon & Cazelles 1969

Hamburg 1969, nr. 38

Meiss & Off 1971

Meiss 1974

Meiss & Beatson 1974

Plummer 1974

Bellosi 1975

Thomas 1979, p. 86-93

Parijs 1981, nr. 297

Csapodi 1982, nr. 41

Plummer 1982, nr. 26

Alexander 1983

Cazelles 1983

Pognon 1983

Avril, Dunlop & Yapp 1989

Colenbrander 1991

Manion 1991

Parijs 1993, nrs. 2, 56

V. Schmidt 1999

Artaud 2000

Chatelet 2000, 130-157

Lowden 2000, I, p. 251-284

Philadelphia 2001, nr. 20

Walther 2001, p. 258, 280-285

König 2003

Zeman 2003 (over tekening in kopenhagen met bespotting)

Chantilly 2004

König 2004

Parijs 2004, nrs. 41, 184, 188

Nijmegen 2005

Niessen, Roelofs & Van Veen-Liefrink 2005

Roelofs 2005

Dückers 2005 (1)

Dückers 2005 (2)

Husband 2005

Stirnemann 2005

Wieck 2005

Korteweg 2005

Lawson 2005

V. Schmidt 2005

Bakker 2005

Clark 2005 (2)

Colenbrander 2006

 

Bradley 1887-1889 –

Thieme-Becker 1907-1950, XXIII, p. 227

D’Ancona & Aeschlimann 1949, p. 174-175

 

Lexicon van Boekverluchters

 

New York, Metropolitan Museum of Art, Cloisters Collection, Acc. Nr. 54.1.1, f. 168r: Sint Nicolaas (detail)

 

 

Limburg (Paul, Herman en Johan van Limburg)

 

Gebroeders van Limburg

 

Van oorsprong uit Noord-Nederland (Gelderland, Nijmegen) afkomstige boekverluchters, werkzaam in dienst van Jean de Berry, Duc de Berry te Parijs. Als hofminiaturisten van de hertog waren de gebroeders de opvolgers van de rond 1409 overleden Jacquemart de Hesdin. De door hen voor de hertog verluchte handschriften - de Belles Heures en de Très riches Heures - worden algemeen als de fraaiste beschouwd die ons uit die tijd zijn overgeleverd.

 

Zij werden direct na elkaar geïllumineerd, het eerste ongeveer tussen 1410 en 1412 en het tweede tussen 1413 en 1416. In taferelen als het Aards paradijs, de Kroning van de Heilige maagd, de Val der engelen en de suggestieve Christus in de Hof van Olijven (uit de Très Riches Heures) benadert hun kunst de genialiteit. Dergelijke scènes behoorden niet tot de voor getijdenboeken traditionele cyclus; de schilder heeft zich door zijn eigen inventiviteit laten leiden en deze miniaturen zijn pas naderhand aan het handschrift toegevoegd.

 

 

Chantilly, Musée, Condé, Ms. 65, f. 14v

 

Levensbeschrijving, feiten, data, veronderstellingen en bronnen

 

De drie broers, kinderen van Arnold de Lymborch, een Nijmeegs beeldhouwer, en Metta Maelwael, zijn geboren in Nijmegen tussen ca 1385 en ca 1388. Waarschijnlijk was Herman, geboren in ca 1385, de oudste. Hij wordt steeds, zowel in de Nederlandse als Franse bronnen, als eerste genoemd. Overigens stelt Gorissen 19954, p. 170, dat Paul de oudste was, aangezien hij als leider van de werkplaats van de gebroeders optrad en hij als eerste trouwde. Paul werd geboren rond 1386/87 en Johan, de jongste, mogelijk in 1388. Overigens zijn de namen bekend van nog twee jongere broers, Rutger, geboren in 1390, en Arnold, geboren in ca 1392, en daarnaast van de enige dochter, Greta, geboren in ca 1395. Rutger was tussen 1414 en zijn overlijden in 1435 kanunnik in het kapittel van de Sainte-Chapelle in Bourges (zie Meiss 1974, p. 70; De Champeaux & Chauchery 1894, p. 142; Gorissen 1954, p. 215, nr. 148; p. 220, nr. 177). Meiss 1974 oppert nog de mogelijkheid dat de Meester van Hiëronymus, genoemd naar het ca 1420 toegevoegde frontispice in de door de Gebroeders vervaardigde Bible Moralisée (Parijs, Bibliothèque Nationale, ms. Fr. 166) geïdentificeerd kan worden als deze jongste broer Arnold.

 

Omstreeks 1398, vermoedelijk na het overlijden van hun vader, werden Herman en Johan door hun moeder naar Parijs gezonden waar ze in de leer gingen bij de goudsmid Alebret de Rucembourg, waarschijnlijk op voorspraak van hun oom, broer van hun moeder, Johan Maelwael, die rond 1396 zelf in Parijs woonde en daar als heraldisch schilder werkzaam was voor koningin Isabella.

 

Waarschijnlijk vanwege een epidemie stuurde de goudsmid beide jongens al in 1399 terug naar Nijmegen, zulks blijkens een door Dehaisnes 1886 (II, p. 790-91) gepubliceerd document waarin melding wordt gemaakt van “Hermant Maleuel et Jacquemin Maleuel frères, jonnes enfans et nepveus de Jehan Maleuel paintre et varlet de chambre de mondit seigneur”, die vanwege het “rondwaren van de dood” in Parijs terugreisden naar het “pais de Ghelre dont ils netoient nez”. Op deze terugreis kwamen de beide jongens in een Brabantse gevangenis terecht waaruit ze werden vrijgelaten in mei 1400 na betaling van een losgeld door hertog Filips de Stoute, die zulks deed vanwege de “Bons et agreables services” die Johan Maelwael aan Filips verleende.

 

In 1402 treffen we “Jehanequin Manuel” en “Polequin Manuel”(Johan en Paul dus) aan in Dijon waar zij werkten als “enlumineur” voor de hertog van Bourgondië. In februari 1402 ontvingen zij van Filips de opdracht “pour faire les ystoires d’une tres belles et tres notable Bible qu’il avait depuis peu fait commencer”. Van oudsher is deze opdracht in verband gebracht met voormelde bijbel ms. fr. 166 (zie verder hierna).

 

 

Chantilly, Musée, Condé, Ms. 65, f. 25v

 

Na het overlijden van de hertog op 27 april 1404 traden Herman, Paul en Johan in dienst bij diens broer,

hertog Jean de Berry, die in 1405 opdracht gaf tot het verluchten van het thans als Belles Heures du Duc de Berry bekend staande getijdenboek (New York, Metropolitan Museum of Art, acc. Nr. 54.1.1).

Dit rond 1409 klaargekomen handschrift wordt in de na het overlijden van de hertog in 1416 opgestelde inventaris omschreven als “Unes belles Heures, très et richement historiées; et au commencement es le kalendrier, bien richement escript et historié; et après est historiée la Vie et Passion de Saincte Katherine; et ensuivant sont escriptes les quatre Euvangelis et deux oroisons de Nostre Dame, et s’ensuivent plusieurs autres heures et oroisons; et au commancement du second fueillet desdictes Heures de Nostre Dame, a escript: audieritis; couvertes de veluiau vermeil, a deux fermouers d’or, esquielx sont les armes de Monseigneur de haulte taille; et par dessus lesdictus Heures a une chemise de veluiau vermeil, doublé de satin rouge; lesquelles Heures Monseigneur a fait fair pars ses ouvriers”. Opvallend aan deze omschrijving is dat de broers niet met naam en toenaam worden genoemd, maar anoniem worden aangeduid als “ouvriers”.

 

In de tweede helft van 1411 schonk de hertog aan Paul een, thans helaas niet meer bestaand, imposant huis aan de Rue Porte Jaune 5, dat Paul waarschijnlijk samen met zijn beide broers bewoonde. Kort daarop trad Paul in het huwelijk met Gillette la Mercière. Uit dit huwelijk zijn geen kinderen geboren.

De gebroeders vervaardigden in de jaren 1410-1412 minimaal 3 losse miniaturen die werden ingevoegd in een tweetal getijdenboeken. Het betreft hier de fameuze Très Belles Heures de Notre Dame (Parijs, Bibliothèque Nationale, Ms. nouv. Acq. lat. 3093, p. 225: aanbidding van de drie-eenheid en p. 240: aanbidding van God) en de Petites Heures de Jean de Berry (Parijs, Bibliothèque Nationale, ms lat. 18014, folio 288v: Jean de Berry gaat op reis). Daarnaast maakten zij in deze jaren het frontispice van een Valerius Maximus (Vaticaanstad, Biblioteca Apostolica Vaticana, ms reg. lat. 939, f. 1r).

 

In deze jaren verbleven zij veelvuldig in Parijs, waar hun patroon Jean de Berry sedert 1404 het grootste deel van het jaar resideerde in zijn Hotel de Nesle. Uit de archieven blijkt dat de broers, in diverse samenstellingen, een aantal malen in Nijmegen terugkeerden ter afhandeling van zakelijke belangen en het regelen van erfenissen.

In de jaren 1411/1412-1416 werkten de broers aan wat thans terecht wordt gezien als hun opus magnum, het wellicht belangrijkste handschrift van de Westerse wereld, de fameuze Très Riches Heures. In de na het overlijden van hertog Jean de Berry opgestelde Inventaris van diens bezittingen (welke lijst thans bewaard wordt te Parijs, Bibliothèque Geneviève, inventaris Berry B) treffen we onder nummer 1164 de volgende omschrijving van dit handschrift aan” Item, en une layette plusiers cayers d’unes très riches Heures que faisoient Pol et ses frères, tres richement historiez et enluminez”.

 

Alvorens de broers het handschrift konden voltooien overleden zij, net als hun patroon Jean de Berry, in het jaar 1416, waarschijnlijk ten gevolge van een pestepidemie. De door hen vervaardigde katernen, waarnaar de inventaris verwijst behoren thans tot een pas in 1485 voltooid getijdenboek, bewaard te Chantilly, Musée Condé, ms. 65.

Chantilly, Musée, Condé, Ms. 65

 

De Gebroeders van Limburg in de kunsthistorische literatuur

 

De Champeaux & Gauchery 1894 gaven in hun “Les travaux d’Art exécutés pour Jean de France, duc de Berry, avec une étude biographique sur les artistes employés par ce prince“ een eerste levensbeschrijving van de Gebroeders, waarbij zij aangaven dat de Gebroeders, evenals hun oom Johan Maelwael, afkomstig waren uit Gelderland (“originaires du mème pays de Gueldres”).

 

Veel bronnenonderzoek werd verricht door Friedrich Gorissen, stadsarchivaris van Kleef, die in publicaties uit 1954 en 1957 aantoonde dat de Gebroeders uit Nijmegen afkomstig waren. Millard Meiss 1974 voorts gaf een, op dat moment volledig, overzicht van het leven en werk van de Gebroeders met feiten en bronnen in zijn belangrijke studie “French Painting in the time of Jean de Berry: the Limbourg Brothers and their Contemporaries”.

 

De monumentale catalogus behorende bij de tentoonstelling over het werk van de Gebroeders van Limburg en aanverwante verluchters en kunstenaars, welke tentoonstelling plaatshad in 2005 in Nijmegen, geeft tenslotte middels bijdragen van verschillende auteurs zowel een overzicht als een update van onze kennis betreffende de Gebroeders. In de bijdrage van Schmidt 2005 wordt bepleit dat de Gebroeders, anders dan bijvoorbeeld Meiss van mening was, géén reizen naar Italië hebben ondernomen (zie verderop) terwijl de bijdrage van Dückers 2005, p. 85-96 aannemelijk maakt dat de bijbel bewaard in Parijs, Bibliothèque Nationale, ms. fr. 166 wèl door de Gebroeders is geschilderd maar niet de bijbel is bedoeld in de hiervoor aangehaalde opdracht uit februari 1402.

De beïnvloeding van en door de Gebroeders van Limburg door en van andere kunstenaars komt aan de orde in bijdragen van Drückers 2005, p. 65-84 en Clark 2005.

 

De Gebroeders van Limburg en Italië

 

De miniaturen in de Très riches heures en de Belles heures vertonen opmerkelijke Italiaanse invloeden. Hieruit heeft Meiss 1974 afgeleid dat de Gebroeders of tenminste toch Paul een of zelfs twee keer in Italië is geweest.

 

Schmidt 2005 is daarentegen van mening dat aangezien een dergelijk reis naar Italië nergens gedocumenteerd is, deze Italiaanse invloeden ook alternatief verklaarbaar zijn, namelijk door een beïnvloeding door Italiaanse kunstwerken zelf.

Overduidelijke Italiaanse invloeden treffen we aan in de miniatuur met de Opdracht in de Tempel in de Très Riches Heures, welke compositie een copie is van de rond 1328-1330 in Florence door Taddeo Gaddi vervaardigde fresco met de Opdracht van Maria in de Tempel (Florence, Santa Croce, Baroncellikapel).

 

Ook de plattegrond van Rome op folio 141v in de Très Riches Heures komt overeen met het Italiaanse fresco geschilderd door Taddeo di Bartolo in 1413-1414 in het Palazzo Pubblico van Siena.

 

Schmidt 2005 acht het onwaarschijnlijk dat de Gebroeders deze fresco’s zelf hebben gezien maar wijst op het in omloop zijn van modellenboeken met tekeningen van deze afbeeldingen. Ook de december miniatuur uit de Très Riches Heures bevat een ontlening aan Italiaanse, meer bepaald Lombardijnse, kunst. Het motief van het door jachthonden verscheurde everzwijn vinden we ook terug in het rond 1380-1400 vervaardigde modellenboek van Giovannino dei Grassi.

Naast dit soort indirecte ontleningen biedt in ieder geval één Italiaans paneel voorbeelden van directe beïnvloeding. Het betreft hier een draagbaar veelluikje van de Italiaanse paneelschilder Simone Martini, waarvan de luiken thans verdeeld zijn over de Gemäldegalerie in Berlijn, het Museum voor Schone Kunsten in Antwerpen en het Louvre in Parijs. Waarschijnlijk werd dit veelluik, genaamd het Orsini-polyptiek, rond 1400 bewaard in het klooster Champol bij Dijon, alwaar de Gebroeders toentertijd in dienst waren van Filips de Stoute.

Zo is de Kruisdraging in de Très Riches Heures een variant op het paneel met dit onderwerp van de hand van Simone.

 

Ook de Kruisafnemingen in zowel de Très Riches Heures als in de Belles Heures (voor afbeelding zie verderop) zijn geënt op de Kruisafneming van Simone in het Orsini-polyptiek.

De overvloedige Italiaanse invloeden in de Belles Heures en de Très riches heures, gecombineerd met het ontbreken van enige noemenswaardige Noord-Nederlandse invloed, heeft overigens al tot de theorie geleid dat deze handschriften niet door de gebroeders, dan wel niet door hen alleen zijn verlucht (Pognon 1983).

 

Chantilly, Musée, Condé, Ms. 65

 

Chronologisch overzicht van het werk van de Gebroeders van Limburg

 

Ca 1402-1404: Bible Moralisée, Parijs, Bibliothèque Nationale ms. Fr. 166, 384 miniaturen en 124 ondertekeningen door de Gebroeders;

 

Ca 1405-1408/9: Les Belles Heures de Jean de France, duc de Berry, New York, Metropolitan Museum of Art, Cloisters Collection, acc. No. 54.1.1, 172 miniaturen door de Gebroeders;

 

Ca 1410: Les Très Belles Heures de Notre Dame, Parijs, Bibliothèque Nationale ms. N.a. lat 3093, 2 miniaturen met de Aanbidding van de drie-eenheid op p. 225 en de Aanbidding van God de Vader op p. 240 door de Gebroeders;

 

Ca 1410: Valerius Maximus, De dictis factisque mirabilibus, Vaticaanstad, Biblioteca Apostolica Vaticana, ms. Reg. Lat 939, versierd frontispice met 1 kolomminiatuur met Valerius Maximus in zijn studeervertrek door de Gebroeders;

 

Ca 1410: los blad met Christoffel met het Christuskind, Washington, National Gallery of Art, acc. No. B-13, 520 mogelijk eigenhandig werk van de Gebroeders;

 

Ca 1412: Les Petites Heures de Jean de Berry, Parijs, Bibliothèque Nationale ms. Lat 18014, miniatuur met de hertog van Berry die vertrekt voor een pelgrimsreis op f. 288v door de Gebroeders;

 

Ca 1411-1412-1416: Les Très Riches Heures du duc de Berry, Chantilly, Musée Condé, ms. 65, 35 bladgrote miniaturen, 25 kolomminiaturen en 1 composiet blad door de Gebroeders.

 

Chantilly, Musée, Condé, Ms. 65, f. 147v: Kruisdraging

 

De Bible Moralisée

 

Deze thans in de Bibliothèque National te Parijs onder signatuur ms fr. 166 bewaarde bijbel werd door Filips de Stoute in 1402 in opdracht gegeven aan de Gebroeders. Bij de dood van de hertog in 1404 was alleen de verluchting van de eerste drie katernen (f. 1r-24v) voltooid, en waren de ondertekening van het volgende katern (f. 25r-32v) in voorbereiding. Een andere tot de bibliotheek van Filips de Stoute behorende Bible Moralisée, gemaakt voor Jan de Goede rond 1349-1352 door een team van 15 kunstenaars onder eindverantwoordelijkheid van Jean de Montmartre (Parijs, Bibliothèque Nationale, ms. Fr. 167), diende de Gebroeders als voorbeeld.

 

Meiss 1974 is van mening dat de verluchting van het 1e katern valt toe te schrijven aan Johan en dat van het 3e aan Paul, terwijl het 2e door hen samen zou zijn verlucht. Ook de als frontispice toegevoegde inkttekening van de hl. Hieronymus in zijn studeervertrek is wellicht aan een van de broers, of zelfs aan hun jongste broer Arnold toe te schrijven, maar bij gebrek aan eenduidigheid hieromtrent in de literatuur staat deze tekening thans (nog) gecatalogiseerd onder de anonieme Meester van Hieronymus.

Naarmate het werk aan de bijbel vorderde werd het palet en de schildertoets van de Gebroeders zachter en soepeler, daarmee een voorbode zijnde van hun bijdragen aan de Très Belles Heures de Notre Dame.

 

Van oudsher is onderhavige bible moralisée in verband gebracht met een opdracht van Filips de Stoute uit 1402, mogelijk te dateren op 9 februari, waarvan de tekst als volgt luidt: “A Polequin et Janequin Manuel enlumineurs, lesquels monseigneur a fait retenus pour faire les ystoires d’une tres belles et tres notable Bible qu’il avait depuis peu fait commencer. Iceux Janequin et Polequin ne pouvaient se Louer a aultre que mondit seigneur, mais entendre et besongner seulement en l’ouvraige d’icelle; et affin que ledict ouvraige fut faict et achevé le mieulx et le plus tot possible, monseigneur taxa audicts Manuel, tant pour leurs peine et vivre, comme pour avoir les aultres nécessités, la somme de vingt sols parisis pour eux deux par chacun jour ouvrable jusques a quatre ans prochains. Pour laquelle Bible faire et ystorier a esté baillé du commandement de mendict seigneur a maistre Jean Durand son physicien la somme de six cens livres, pour employer es escriptures et perfection d’ icelle Bible, et aissi es gages desdicts Polequin et Janequin ”. Uit een document van 8 mei 1402 worden de bepalingen van deze overeenkomst nog eens aangehaald en nader gestipuleerd, waarbij wordt toegevoegd dat de dagvergoeding geldt “pour chascun jour ouvrable et non ouvrable”.

Sprake is aldus van een bijbel die moest worden verlucht zo goed en snel mogelijk, waarbij een periode van 4 jaar redelijk werd geacht, in welke periode de broers geen werk van anderen mochten aannemen.

Durrieu 1895 bracht deze in de bronnen genoemde bijbel voor het eerst in verband met het handschrift fr. 166. Hoewel deze identificatie ook nu nog veelal in de literatuur wordt nagevolgd (bijv. Parijs 2004, nr. 184), is zij nooit algemeen geaccepteerd. Colenbrander 1991 heeft de argumenten tegen deze identificatie opgesomd, daarin gevolgd door Lowden 2000, p. 270-276. Het belangrijkste argument tegen de identificatie is wel de omstandigheid dat in een periode van 2 jaar slechts 384 miniaturen zijn geschilderd in 3 katernen. Om alle geplande 5122 miniaturen in de 40 beoogde katernen uit te voeren zou aldus in dit tamelijk lage arbeidstempo nog eens ruim 20 jaar nodig zijn geweest om de bijbel te voltooien. Drückers 2005 betoogt dat naast de overgeleverde Bible Moralisée door de Gebroeders voor Filips de Stoute nog een, waarschijnlijk verloren gegane, bijbel is verlucht, waarbij hij tot de conclusie komt dat dit zeer wel een Bible Hystorians zou kunnen zijn geweest.

 

Parijs, Bibliotheque Nationale, ms. fr. 166, f. 3v

 

Les Belles Heures de Jean de France, duc de Berry

 

De Belles Heures is het eerste handschrift dat door Jean de Berry, in 1405, aan de Gebroeders in opdracht werd gegeven. Voor de omschrijving ervan in de inventaris van De Berry zie hiervoor. Meiss & Beatson 1974 loven de Gebroeders om de nieuwe wijze waarop zij traditionele verhalen vertellen, hun originaliteit en individuele stijl, hun sprankelende kleuren en de ongekende intensiteit waarmee zij de wereld om hen heen waarnamen. Maar liefst 156 miniaturen versieren het handschrift, waarbij de zeven cycli miniaturen bij favoriete legenden en heiligen uniek zijn voor de toenmalige boekproductie. De Lange Kruisgetijden tellen tweemaal zoveel illustraties als gebruikelijk en de Boetpsalmen, meestal versierd met een enkele miniatuur, zijn hier elk afzonderlijk verlucht. Tekst is meestal beperkt tot vier regels. Dit alles draagt bij tot de tot dan toe ongekende luxe uitstraling van het handschrift.

 

Landschap, architectuur en figuren zijn telkens in alle afbeeldingen een van de drie hoofdcomponenten in de opbouw van de compositie, waarbij natuurlijk ook combinaties van twee of zelfs alle drie van deze elementen voorkomen.

Bij de composities waarin het landschap domineert, ontbreekt architectuur en worden figuren klein weergegeven. Dit draagt bij aan de dieptewerking van deze miniaturen, die toch al niet gering is vanwege de zeer hoge of zelfs geheel afwezige horizon. Voorbeelden van dit soort taferelen betreffen de Verkondiging aan de herders (f. 52r) en Christus in de hof van Getsemane (f. 123r).

 

De composities waarin de architectuur domineert zijn veelal geplaatst in een binnenruimte, met soms een klein doorkijkje naar buiten, zoals in de Annunciatie (f. 30r), de Dood van de Heilige Antonius (f. 194v) en Catharina in haar Studeervertrek (f. 15r). Soms spelen de taferelen zich af in niet herkenbare dan wel onduidelijke interieuren die meer dienen als achterwand dan als zelfstandig architecturaal element, zie bijvoorbeeld de Opdracht in de tempel (f. 57r) en de Geseling (f. 132r) Taferelen buiten spelen zich soms af tegen een achtergrond van gebouwen die een duidelijk plaats binnen het verhaal hebben, zoals in Pilatus die aanbiedt Christus vrij te laten (f. 136r) en het Einde van de Pest (f. 74r).

 

 

New York, Metropolitan Museum of Art, Cloisters Collection, Acc. Nr. 54.1.1, f. 30r: annunciatie

 

In de composities waarin figuren het belangrijkste zijn ontbreken architectonische details en landschaps-weergave of zijn deze tot een minimum beperkt. Zie bijvoorbeeld de Vlucht naar Egypte (f. 63r), de Kruisafneming (f. 149r), De Bewening (f. 149v) en de Onthoofding van Catharina (f. 19v). De figuren staan veelal op de voorgrond en vullen het totale beeldvlak, overige elementen dienen slechts om de compositie in balans te brengen.

 

Een signatuur van Paul van Limburg?

Lawson 2005, p. 163 beschrijft de ontdekking onder de stereomicroscoop van een piepkleine letter “p” op een klein torentje rechtsboven in de miniatuur met de Reisvaardige hertog, het laatste verluchte blad van de Belles Heures (f. 223v) en oppert de mogelijkheid dat deze bewuste toevoeging wellicht een signatuur is van Paul van Limburg.

 

 

New York, Metropolitan Museum of Art, Cloisters Collection, Acc. Nr. 54.1.1, f. 223r: reisvaardige hertog Jean de Berry

 

 

Les Très Belles Heures de Notre Dame

 

Dit absolute meesterwerk van boekverluchtingskunst kent een bewogen geschiedenis en de thans nog resterende gedeelten worden bewaard in Parijs, Bibliothèque Nationale, in Turijn, Museo Civico en een aantal losse bladen in Parijs, het Louvre. Zie verder met name onder Jan van Eyck.

 

De medewerking van de Gebroeders van Limburg is beperkt gebleven tot een drietal bladen, waarvan er thans nog twee bewaard zijn gebleven, te weten de Aanbidding van de Triniteit op f. 225r en de Aanbidding van God de Vader op f. 239r, beide in het deel in de Bibliothèque Nationale in Parijs. Het 3e thans verloren blad betrof een miniatuur met Jean de Berry terugkerend van een reis, waarvan een lithografie is gepubliceerd in Bastard d’Estang 1832-1869.

 

Naar alle waarschijnlijkheid werden de bladen vervaardigd voor Robinet d’Estampes toen deze het handschrift rond 1413 cadeau kreeg van de hertog.

 

Parijs, Bibliothèque Nationale, Ms. nouv. Acq. lat. 3093, f. 225r - Parijs, Bibliothèque Nationale, Ms. nouv. Acq. lat. 3093, f. 225r

 

De Valerius Maximus

 

Voor dit handschrift maakten de Gebroeders een thans zwaar beschadigd frontispice, welke miniatuur daarmee de enige, bewaard gebleven, miniatuur uit een profaan handschrift is. De miniatuur met de auteur in zijn studeervertrek is vergelijkbaar met gelijksoortige portretten in de Belles Heures (zoals de hl. Hieronymus op f. 183r en de hl. Catharina op f. 15r). De architectonische omlijsting is in gewijzigde vorm terug te vinden op de Annunciatie op f. 30r van de Belles Heures. Meiss 1974 wijst erop dat het schrifttype, de Rotunda, van het handschrift Italiaans is, waaraan hij een argument ontleend voor het verlucht zijn ervan tijdens een Italië-reis van een van de broers. Elders wordt bepleit dat een dergelijk reis waarschijnlijk nooit heeft plaatsgevonden en ook het Rotunda schrift is in deze geen afdoend argument aangezien dit schrift ook buiten Italië, en dan met name in Frankrijk veelvuldig werd toegepast (aldus Drückers in zijn commentaar bij Nijmegen 2005, nr. 103).

 

 

Los blad met Christoffel met het Christuskind

 

De verluchting van deze losse miniatuur, afkomstig uit een niet nader geïdentificeerd getijdenboek, schrijft Meiss 1974, p. 362 toe aan de werkplaats van de Gebroeders van Limburg. Hij vergeleek hierbij de afgebeelde Christoffel met het Christuskind met de miniatuur met hetzelfde onderwerp in de Belles Heures (f. 165r).

Clark in zijn commentaar bij Nijmegen 2005, nr. 106 is echter van mening dat er goede gronden zijn de miniatuur toe te schrijven aan de Gebroeders zelf.

 

Les Petites Heures de Jean de Berry

 

De verluchting van de Petites Heures werd rond 1375 toevertrouwd aan Jean le Noir, een leerling en navolger van Jean Pucelle.

 

Toen hij omstreeks 1380 overleed had hij pas negen miniaturen voltooid. Het werk werd voortgezet door Jacquemart de Hesdin, bijgestaan door de Pseudo-Jacquemart en de Triniteits Meester.

 

Omstreeks 1412 werd een zeer persoonlijke miniatuur toegevoegd aan het handschrift, zijnde de door de Gebroeders vervaardigde miniatuur waarin Jean de Berry te voet vertrekt uit een stad, waarschijnlijk op pelgrimage.

Parijs, Bibliothèque Nationale, Ms lat 18014, f. 288v: Jean de Berry gaat op reis

 

De Très Riches Heures

 

Inleiding

 

De voor de hertog van Berry vervaardigde in de jaren 1411/12-1416 Très Riches Heures, blijkt in de jaren 40 van deze 15e eeuw in bezit te zijn geweest van het geslacht Anjou, voor wie Barthélemy van Eyck veelvuldig werkte en ook in dit handschrift delen van diverse kalenderminiaturen schilderde. Uiteindelijk is het Jean Colombe die aan het hof van Savoye het handschrift voltooid. Het handschrift duikt vervolgens onder in de anonimiteit om eerst weer in 1855 op te duiken toen de hertog van Aumale in Genua het handschrift verwierf en vervolgens verkocht aan het Musée Condé in Chantilly.

 

De kalender - inleiding

 

De reeks van 12 kalenderminiaturen wordt in het algemeen beschouwd als “the greatest pictorial accomplishment of the early fifteenth century”(Meiss 1974, p. 178). Hoewel de maand November pas later, rond 1485, is vervaardigd door Jean Colombe en enkele andere maanden (bijv. Oktober) door een of meer andere schilders, waaronder Barthélemy van Eyck in de jaren 1440, zijn voltooid, waren ook de bij hun overlijden nog niet door de Gebroeders verluchtte maanden al vrijwel allemaal door hen voorgetekend, zodat de reeks van compositorisch oogpunt een hoge mate van eenheid vertoont. De reeks bestaat uit een verhalende voorstelling in een landschap, aansluitend qua onderwerp bij de maand welke het betreft, met daarboven een allegorische voorstelling voorzien van astronomische en meteorologische informatie. De landschappelijke voorstellingen beperken zich niet, zoals tot die tijd gebruikelijk, het afbeelden van met de betreffende maand verbonden menselijke activiteiten en weersomstandigheden, maar betreffen daadwerkelijk bestaande landschappen. Alleen Januari en Februari (met een niet nader gedefinieerd landschap) vallen hierbuiten, net als de maand November, die pas later door Jean Colombe is geschilderd, en vermoedelijk niet volgens een bestaande ondertekening.

 

Chantilly, Musée, Condé, Ms. 65, f. 2v: februari (detail)

 

Maart

 

Deze afbeelding toont het werk op het veld tegen de achtergrond van het kasteel van Lusignan in Poitou. Het kasteel van Lusignan was vanaf 1374 als apanage in bezit van Jean de Berry en het was tot aan zijn dood een van zijn geliefde verblijfplaatsen.

 

Rechtsboven het kasteel zweeft de fee Mélusine, de beschermvrouwe van het kasteel. Het verhaal van Mélusine was bekend uit uit de roman ‘La noble histoire de Lusignan’ van Jean d’Arras geschreven voor Jean de France duc de Berry in 1393, waarin men hem opvoert als de rechtmatige erfgenaam van het kasteel dat door de fee gebouwd werd.

 

Linksboven zijn een herder en zijn hond met een kudde schapen te zien; drie boeren werken in een wijngaard. Op de kruising van de veldwegen zien we een 'Montjoie' die misschien als grenspaal van het domein kan geïnterpreteerd worden.

 

Op de voorgrond is een boer aan het ploegen achter twee ossen, een rood-gekleurd, de andere zwart. De afbeelding van de ploeg is tot in detail uitgevoerd. Deze miniatuur is volgens sommigen niet van de hand van de gebroeders van Limburg, maar wel van de zogenaamde tussenschilder die aan het handschrift werkte omstreeks 1440-1450. Het is een van de eerste miniaturen waarop schaduwen (van de ossen en de boer) worden afgebeeld. Giotto en Pietro Lorenzetti hadden dit in de dertiende eeuw ook al gedaan maar eerder voor gebouwen en rotspartijen en dergelijke. Ook de meester van het altaar uit Wittingau (in Zuid-Bohemen) was begonnen met het schilderen van schaduw maar de artiest die deze miniatuur maakte is de eerste die dit zo duidelijk en correct toepast op personen in de miniatuurschildering.Het gebruik van schaduw is trouwens ook te zien op de miniatuur van de maand oktober en dit pleit voor de identificatie van deze tussenschilder als Barthélemy van Eyck, die ook in met zekerheid aan hem toegeschreven werken een meester was in het weergeven van schaduw.

 

Chantilly, Musée, Condé, Ms. 65, f. 3v: maart (detail)

 

April

 

De maand april luidt het voorjaar in. De natuur herleeft, het groen keert terug. Historici denken dat het kasteel op de achtergrond dat van Dourdan zou zijn hoewel hierover geen zekerheid is. Sommigen zijn van mening dat hier het slot van Pierrefonds wordt voorgesteld. Het kasteel van Dourdan behoorde sinds 1400 aan Jean de Berry en werd door hem versterkt. De restanten ervan zijn nog altijd terug te vinden. Het kasteel van Pierrefonds hoorde toe aan het huis van Orléans. Volgens Cazelles 1983, pp. 89-90, 92, 115-116 was het slot van Dourdan door Jean de Berry beloofd aan Charles d'Orléans bij zijn huwelijk met Bonne d'Armagnac.

 

De groep van prinselijke figuren op de voorgrond is een prachtig voorbeeld van de stijl van de internationale gotiek. Volgens de meeste kunsthistorici zien we hier twee jonge verloofden die ringen uitwisselen in aanwezigheid van de ouders van een van hen. Sommigen denken dat dit gaat om de verloving in 1411 van de destijds elfjarige Bonne d'Armagnac, een kleindochter van de hertog, met de toen zestienjarige Charles d'Orleans, anderen zijn dan weer van mening dat dit een voorstelling is van de verloving van Marie de Berry en de graaf Jean de Clermont, de latere hertog van Bourbon, in 1400.

 

Als men het beeld uitvergroot is er eigenlijk helemaal geen ring te zien. Colenbrander 2006, p. 39 oppert daarom dat het niet om een uitwisseling van ringen gaat maar dat het meisje een bloem aanbood aan haar verloofde en die bloem zou dan hetzij niet geschilderd hetzij uitgewist zijn, zoals ook het geval is bij de twee meisjes die duidelijk bloemen aan het plukken zijn. De houding van de handen en de vingers maakt dit vrij aannemelijk.

 

Chantilly, Musée, Condé, Ms. 65, f. 4v: april (detail)

 

Mei

 

Jonge mensen, gezien hun rijke kledij behorend tot het hof, gaan uit rijden op een mooie dag in mei. Zij worden op hun vrolijke rit begeleid door muzikanten. Drie vrouwen zijn gekleed in het groen, wat suggereert dat het hier gaat om een traditie die op 1 mei werd uitgevoerd: jonge mannen gaan het bos in om jonge groene takken te verzamelen en aan te bieden aan hun dames, die dan ook in die kleur gekleed gaan.

 

Over de identificatie van de gebouwen op de achtergrond bestaat enige onzekerheid. Het zou een weergave zijn van het kasteel van Riom, de voormalige hoofdstad van de Auvergne, een provincie die aan de hertog van Berry was geschonken door zijn vader, Jan de Goede (Morand 1954). Het zou, volgens een andere interpretatie, echter geen gelijkenis vertonen met vergelijkbare afbeeldingen uit de periode, maar een weergave zijn van het Palais de la Cité in Parijs met links het Châtelet en de Conciergerie en de tour de l'horloge op het Île de la Cité (Longnon & Cazelles 1969, p. 176).

 

Chantilly, Musée, Condé, Ms. 65, f. 6v: juni (detail)

 

Juli

 

De afbeelding bij de maand juli toont verschillende werkzaamheden van landarbeiders. Aan de linkerkant op

de illustratie zijn twee mannen met behulp van een sikkel bezig met het maaien van het graan. De figuur aan de linkerkant vertoont een opvallende gelijkenis met de middelste man in de afbeelding bij de maand juni. Onder zijn openvallende kleding is zijn ondergoed zichtbaar. Rechts zijn een man en een vrouw bezig met het scheren van de schapen. Zij hebben elk een dier op hun schoot, de wol verzamelt zich aan hun voeten.

 

Op de achtergrond bevindt zich een driehoekig kasteel dat in het bezit was van de hertog. Dit niet meer bestaande gebouw bevond zich aan de samenvloeiing van de rivieren de Clain en de Boivre, nabij Poitiers. Al in de twaalfde eeuw stond hier een kasteel, maar het werd door de hertog verbouwd tot de opvallende vorm die hier wordt getoond. Het kasteel werd omspoeld door de Clain en op het voorplan zien we de Boivre uitmonden in de Clain. Het kasteel was te benaderen via een houten voetbrug die verdedigd werd door een toren en waarvan het laatste deel als ophaalbrug was uitgevoerd. Rechts daarnaast staat een kapel. Op de verdere achtergrond zijn gebouwen te zien die zich aan de overkant van de rivier bevinden.

 

Chantilly, Musée, Condé, Ms. 65, f. 8v: augustus (detail)

 

September

 

De meeste kunsthistorici zijn het erover eens dat in deze miniatuur twee verschillende handen te herkennen zijn (zie zie Colenbrander 2006, pp.1-13). Het achterplan van de afbeelding zou volgens sommigen van de hand zijn van de gebroeders van Limburg, volgens anderen van Barthélemy van Eyck. De wijnoogst op het voorplan werd in de jaren 1480 toegevoegd door Jean Colombe of zijn atelier.

 

De illustratie bij de maand september toont de druivenoogst. We zien een aantal mensen die in de wijngaard van het kasteel de druiven aan het plukken zijn. De geplukte druiven worden verzameld in manden, die geleegd worden in draagkorven op muilezels. Rechts zien we een kar getrokken door ossen met grote vaten erop, voor het transport van de druiven naar de wijnpers. Tussen de wijngaard en het kasteel zien we een wand geweven uit takken, dit was de plaats, het strijdperk, waar het steekspel plaats vond.

 

Als we de op deze miniatuur afgebeelde personages vergelijken met die van de maand juni is het verschil opvallend. Op de kalenderplaat van mei zijn de landarbeiders ondanks hun sociale status als elegante personen afgebeeld, dit is zeker niet het geval op deze miniatuur. De gebukte boer die zijn achterste laat zien vrij centraal in het oogsttafereel is zonder twijfel zo afgebeeld om het contrast te tonen tussen de lagere klasse die op het veld werkte en de leefwereld van de hogere klasse verzinnebeeld door het prachtige kasteel.[48] Zelfs de lichtinval is verschillend tussen beide taferelen, het klare heldere licht van het kasteelgedeelte contrasteert zeer sterk met het donkere aardse licht van de oogstscène.

 

De in de miniatuur getoonde architectuur is ook in deze afbeelding zeer gedetailleerd. Het verbeeldt in dit geval het Kasteel van Saumur nabij Angers in het toenmalige hertogdom Anjou. Het kasteel is tot op de dag van vandaag bewaard gebleven. Het is een beetje vreemd dat Jean de Berry dit kasteel zou hebben laten opnemen in zijn getijdenboek want het gebouw was nooit in zijn bezit, evenmin als het hertogdom van Anjou. Tussen 1410 en 1416 toen de miniaturen in het boek geschilderd werden door de Limburgs was het kasteel in het bezit van Lodewijk II van Anjou, een bondgenoot van de Bourgondische hertog Jan zonder Vrees en bijgevolg een tegenstander van de hertog van Berry. Daarom denken sommigen dat het kasteel van Saumur geschilderd werd door Barthélemy van Eyck tussen 1440 en 1450 in opdracht van René d’Anjou, de tweede zoon van Lodewijk II, mecenas van die schilder en in die periode eigenaar van het kasteel.

 

Chantilly, Musée, Condé, Ms. 65, f. 9v: september (detail)

 

Oktober

 

Ook de afbeelding voor de maand oktober in de Très Riches Heures toont zowel een imposant gebouwencomplex als een blik op het landleven. Het land op de voorgrond van de afbeelding is omgeploegd en geëgd en aan de rechterkant ziet men een landarbeider die aan het zaaien is met een weids gebaar. We zien eksters en kraaien achter zijn rug de pas gezaaide graankorrels oppikken. Aan de rand van het veld staat een witte zak met zaaigoed en een knapzak. Achter hem gaat een andere boer te paard met een eg over de akker om het zaaigoed met grond te bedekken. De eg is met een steen verzwaard, om de messen dieper in de grond te laten snijden. Op het veld daarachter, dat al volledig bezaaid en bewerkt is hebben de boeren een vogelverschrikker geplaatst in de vorm van een boogschutter; ze hebben ook dunne lijnen waar veren aan bevestigd zijn kriskras over het veld gespannen eveneens om de vogels af te schrikken.

 

Het tafereel situeert zich op ongeveer dezelfde plaats als dat op de kalenderplaat van de maand juni, namelijk bij het Hôtel de Nesle een van de Parijse residenties van Jean de Berry, maar ditmaal zien we aan de overkant van de Seine in plaats van het Palais de l’Île, het oude Louvre, aangelegd ten tijde van Filips II en hier getoond zoals het moet geweest zijn na de verbouwing door Karel V. In het midden zien we de donjon die op de miniatuur boven de rest van het gebouw uitsteekt. De donjon ook Tour du Louvre genoemd was de bergplaats van de koninklijke schatkist en kostbaarheden. De handschriftenverzameling van Karel V, die volgens een inventaris van 1373 al 917 werken bevatte, werd ondergebracht in de noordwestelijke toren van het paleis. We zien links de oostelijke gevel met de tour de la Taillerie links, een tweelingtoren in het midden en de tour de l”horloge” rechts. Aan de rechterkant zien we de zuidelijke gevel. Gezien het grootste gedeelte van de archieven betreffende de bouw van het oude Louvre verloren zijn wordt deze afbeelding algemeen aanvaard als de enige betrouwbare afbeelding van het Louvre in de middeleeuwen. Het kasteel is beschermd door een muur met drie torens en twee weererkers. Op de kade langs de muur zien we aantal burgers van de stad die aan het wandelen of aan het praten zijn. Van die figuurtjes zien we de weerspiegeling in het water en ook hun schaduw op de kade of op de muur (zie ook de opmerking over schaduwen bij de miniatuur van de maand maart). Het was onder meer op basis van de kleding van de figuurtjes op deze miniatuur dat Bellosi 1975 zijn hypothese over de tussenschilder (Barthélemy van Eyck) formuleerde, maar ook de schaduwen en de reflecties wijzen op een datum in de buurt van de jaren 1440.

Chantilly, Musée, Condé, Ms. 65, f. 11v: november (detail)

 

December

 

Over de maker of makers van de afbeelding voor de maand december zijn de kunsthistorici het niet eens. Sommigen, onder meer Meiss, houden het bij de gebroeders Van Limburg, maar tegenwoordig neemt men aan dat de miniatuur het werk is van Bartélemy d’Eyck, misschien op een ondertekening van de Limburgs.(V. Schmidt 2005). Op de achtergrond is een serie van negen torens zichtbaar die deel uitmaakten van het Kasteel van Vincennes. Mogelijk stond hier al een kasteel in de twaalfde eeuw. Het werd in elk geval uitgebreid in de tijd van de grootvader van de hertog en wederom door zijn broer, koning Karel V. Dit is overigens ook het kasteel waar de hertog van Berry op 30 november 1340 werd geboren, maar de negen torens die we hier zien werden pas in 1364 gebouwd door Karel V. De plaat dateert uit 1415, toen de hertog 75 jaar oud was. De architectuur op deze illustratie staat verder op de achtergrond dan in de andere illustraties, waardoor het beeld op de voorgrond overheerst. Het kasteel komt ook voor op de achtergrond van een miniatuur van Jean Fouquet van omstreeks 1455, die Job op de mestvaalt voorstelt in het getijdenboek van Etienne Chevalier.

 

De afbeelding op de voorgrond toont een scène tijdens een hondenjacht in het bos van Vincennes, een geliefd jachtgebied van de Franse vorsten. Hoewel de miniatuur wordt gebruikt bij de maand december zien we dat de bomen nog volop in blad staan. Op een open plaats in het bos zijn bloeddorstige honden bezig een wild zwijn aan stukken te scheuren, terwijl de jagers proberen de dieren in toom te houden. Een in het blauw geklede jager, rechts op de afbeelding, blaast het hallali op zijn jachthoorn.

 

Deze scène is ook gekend van een tekening in een schetsboek toegeschreven aan Giovannino de' Grassi, dat bewaard wordt in de Biblioteca Civica in Bergamo. Hoewel vroeger beweerd werd dat Grassi zou gekopieerd hebben van de Limburgs, is men er tegenwoordig zeker van dat het hier om een Noord-Italiaans thema gaat (V. Schmidt 2005).

 

Chantilly, Musée, Condé, Ms. 65, f. 12v: december (detail)

 

Acht afwijkende miniaturen

 

Het manuscript telt acht miniaturen die mogelijk later aan het boek zijn toegevoegd met een voor een normal getijdenboek totaal afwijkende iconografie. Durrieu 1904, p. 29 wijst er al op dat deze acht miniaturen misschien niet gemaakt waren om in het getijdenboek gebruikt te worden. Durrieu dacht bij deze miniaturen eerder aan een psalter. Ook de inventaris waarop men zich baseerde om dit werk toe te wijzen aan de gebroeders van Limburg, maakt geen melding van deze bladen. Toch is het Meiss geweest die ervan overtuigd was dat de miniaturen wel tot de oorspronkelijke opzet van het handschrift behoorden. Colenbrander 2006, p. 53 e.v. acht dit goed mogelijk indien ervan wordt uitgegaan dat bij nader inzien niet sprake is van een getijdenboek, maar van een psalter-getijdenboek of tussenvorm. Mogelijk was sprake van een serie grote miniaturen, thans niet eens meer compleet, die waren opgenomen in het begin van het handschrift (en niet zoals nu verspreid door het hele handschrift), gebaseerd op het Speculum Humanae Salvationis of vergelijkbare typologische series. Aan deze serie zouden dan ook toegevoegd kunnen worden de miniaturen van de Overbrenging van Christus naar het pretorium (f. 143r) en de Gevangenneming van

Christus of Ego sum (f. 142v), nu het daar eveneens betreft grote miniaturen zonder tekst, op losse bladen zonder kantlijnen of liniëring waarvan de achterzijden blanco bleven.

 

Het gaat hier om de volgende miniaturen:

 

De anatomische mens

 

De miniatuur die bekendstaat als 'De anatomische mens' is van de gebroeders van Limburg en werd pas later als losse pagina toegevoegd aan het eind van de kalender en voor de eigenlijke getijden. De titel is wat verwarrend, omdat het in de afbeelding eerder gaat over 'de astrologische mens'. De illustratie werd kennelijk ingegeven door het feit dat de hertog en zijn broers grote belangstelling hadden voor astrologie. Mede om die reden had Karel V de medicus en astroloog Thomas de Pizan uit Italië over laten komen als lijfarts en hofastroloog. Deze Thomas was de vader van de schrijfster Christine de Pizan, die haar vader naar Frankrijk zou volgen.

 

De miniatuur toont op de voorgrond een blonde vrouw, rug aan rug met een donkerharige mansfiguur. Op hun lichamen staan tekens van de dierenriem afgebeeld op die plekken waarvan werd aangenomen dat ze het menselijk lichaam beïnvloedden, van de Ram aan het hoofd tot de Vissen onder de voeten.

 

In de rand van de mandorla zijn eveneens de tekens van de dierenriem afgebeeld. Ook hier zien we de booggraden binnen het sterrenbeeld in de buitenste getallenreeks en een jaarkalender in de binnenste getallenreeks zoals in de hemelbogen boven de kalenderminiaturen.

 

De tuin van Eden

 

'De tuin van Eden' is een bijzondere weergave van de zondeval en de daaropvolgende verdrijving van Adam en Eva uit het Paradijs. De geschiedenis zoals die wordt weergegeven in het Bijbelboek Genesis wordt hier getoond in vier scènes.

 

Links neemt Eva de verboden vrucht aan van de duivel in de boom van de kennis van goed en kwaad. De kwade genius is afgebeeld als half slang en half verleidelijke vrouw, zoals gebruikelijk was in de middeleeuwen. Linksonder biedt Eva de vrucht aan aan Adam, die hier het gracieuze uiterlijk lijkt te hebben van een Grieks-Romeins standbeeld. Vervolgens wordt het paar bestraffend toegesproken door de in een blauwe mantel geklede God, voorzien van een stralend gouden halo. Aan de rechterkant wordt het ongelukkige duo, inmiddels voorzien van bedekkende vijgenbladen, door een rode vurige engel buiten de tuin gezet.

 

De in het midden van de tuin opgestelde fontein (de bron van de vier wereldstromen) en de poort van het paradijs zijn afgebeeld in de stijl van de Franse gotiek. De figuur van Eva wordt weergegeven volgens het destijds geldende schoonheidsideaal, met hoge borsten, een slanke taille en een iets bollende buik.

 

De ontmoeting van de wijzen

 

Deze miniatuur is geschilderd op perkament dat iets dikker is dan het perkament in de rest van het handschrift. De afbeelding is gebaseerd op de "Historia Trium Regum", geschreven tussen 1364 en 1375 door de Duitse monnik Johannes von Hildesheim, prior van het Karmelietenklooster in Marienau. Op de miniatuur zien we drie groepen die samenkomen aan een aedicula of montjoie met links van de spits de ster van Bethlehem. In het verhaal van Von Hildesheim en dus ook in de miniatuur verzinnebeelden de drie wijzen de drie leeftijden van de mens. De jonge man, Caspar, komt van rechts boven aangereden, Balthasar de man in de bloei van zijn leven komt van links en Melchior de ouderling komt van rechts met zijn gevolg. Op de miniatuur zijn ook een aantal exotische dieren afgebeeld zoals een grote hagedis, een leeuw en twee jachtluipaarden met daarnaast het symbooldier van Jan van Berry, de beer.

 

Op de achtergrond werden gebouwen uit Parijs weergegeven. Te zien zijn onder meer de Sainte-Chapelle en de Notre-Dame. De drie wijzen zouden reële personages voorstellen, Melchior zou de Byzantijnse keizer Manuel II Paleologus afbeelden, de jonge Caspar zou Karel VII zijn en de figuur van Balthasar zou geïnspireerd zijn op een medaille uit de collectie van de hertog, met de afbeelding van Constantijn de Grote.

 

De aanbidding door de wijzen

 

Deze miniatuur toont de aanbidding van het kind door de wijzen. Het gezelschap van de wijzen bevindt zich aan de rechterzijde. De geknielde Melchior kust de voet van het kindje terwijl Jozef het geschenk van Melchior toont, Balthasar heeft zich voor het kind op oosterse wijze op de grond geworpen terwijl een dienaar achter hem zijn geschenk draagt en Caspar biedt geknield een kelk met wierook aan. De achtergrond van dit tafereel toont waarschijnlijk gebouwen in de stad Bourges.[60] Achter de stal zien we de herders die op het gebeuren toekijken

 

De opbouw van de figuren rond het Christuskind werd in verband gebracht met een aanbidding der wijzen op een torenretabel dat zich bevindt in het Museum Mayer van den Bergh in Antwerpen (als inv. nr.2). Op dit retabel zien we Melchior die de voet van het Christuskind zoent en links van hem Caspar die een zelfde gouden hoorn aanbiedt als de hoorn die afgebeeld is op de miniatuur, de gouden hoorn was een vorm die vrij zeldzaam was in die tijd.

 

De twee afbeeldingen van de wijzen uit het oosten (Folia 51v en 52r) zijn naast elkaar geplaatst, zodat de indruk ontstaat van een tweeluik. Ze werden in de actuele binding gebruikt als inleiding van de sext in de Mariagetijden. Wat de aanbidding van de wijzen betreft is dit de standaard in het Franse verluchtingsprogramma. De miniatuur van de ontmoeting van de wijzen daarentegen is zeer ongebruikelijk. Dit thema kwam voor het eerst aan bod in de Très riches heures.

Chantilly, Musée, Condé, Ms. 65, f. 51v-52r: ontmoeting van de wijzen en aanbidding door de wijzen

 

De zuivering van de maagd

 

Deze miniatuur toont het verhaal van de opdracht in de tempel of de purificatie van de maagd. Elke joodse vrouw die bevallen was moest na 40 dagen een offer opdragen in de tempel. Centraal op de miniatuur zien we trouwens een dienstmaagd van Maria die een mandje draagt met twee duifjes erin, het offer. Dit thema werd normalerwijze gebruikt als illustratie bij de none in de Mariagetijden, zoals ook hier het geval is. De iconografie is wel totaal verschillend van wat normalerwijze in een getijdenboek is terug te vinden, waar meestal het beeld getoond wordt van de oude Simeon met het kind in zijn armen, die zijn lofzang uitspreekt.

 

Deze miniatuur is een van de voorbeelden van de Italiaanse invloed die in het werk van de Limburgs kan aangetoond worden. Ze is gebaseerd op een fresco van Taddeo Gaddi dat zich in de Baroncelli kapel in de Santa Croce in Florence bevindt en de opdracht van Maria in de tempel toont, dus eigenlijk een ander thema. In de miniatuur van de Limburgs zien we Maria en Jozef die aankomen bij de tempel. Simeon wacht hen op boven aan de ingang van de tempel, de dienstmaagd loopt al de trappen op en rechts van de maagd zien we een drietal kinderen die ook op het fresco van Taddeo Gaddi voorkomen. Het gebouw links van de tempel is bij de Limburgs gotisch, in tegenstelling tot het gebouw op het fresco van Gaddi. In het Louvre wordt een tekening bewaard met hetzelfde thema.Het is mogelijk dat de Limburgs zich gebaseerd hebben op deze tekening eerder dan op het werk in Florence.

 

Chantilly, Musée, Condé, Ms. 65

f. 142v: Christus in Gethsemane, Ego sum - f. 153r: Kruisiging

 

Haast nog indrukwekkender is de afbeelding van de Ego Sum op f. 142v waarbij Jezus zich bekendmaakt aan degenen die hem gevangennemen in het Hof van Getsemane. Hier is sprake van een echte nachtelijke scène waarin de afwezigheid van licht wordt weergegeven met zware, diepe tinten grijs, blauw en bruin. Alleen de nimbus van Christus zelf zorgt voor enige verlichting. De vreemde poëtische sfeer van dit nachtelijk tafereel verleent aan deze miniatuur een bijzondere ingehouden grootsheid.

Navolgers van de Gebroeders van Limburg

 

Twee getijdenboeken zijn mogelijkerwijze in het atelier van de gebroeders door navolgers vervaardigd. Het ene is in het bezit van de Earl of Seilern in Londen en wordt door Porcher "een bijna letterlijke copie van de Belles Heures met enige reminiscenties aan de Heures de Chantilly" genoemd; het andere, van mindere kwaliteit en bewaard in het Musée Condé bevat een Geboorte, een Verkondiging en een Opdracht in de Tempel die een treffende gelijkenis vertonen met miniaturen in de Très riches heures en de Belles heures en vervaardigd zijn door de Meester van Spitz.

 

Ook een tweetal handschriften in Philadelphia (Free Library, ms. Widener 5) en New York (Pierpont Morgan Library, ms. M 865) bevatten een aantal miniaturen, waaronder de Aankondiging aan de herders, die copieën zijn van de gelijknamige scènes in de Belles Heures (zie hieromtrent uitgebreid onder Meester van Morgan 865).

 

Copyright © Roel Wiechers, 2013. All Rights Reserved