Het pontificaal van Sinte Marie in de Universiteitsbibliotheek van Utrecht: een controversieel pontificale

Lexicon van Boekverluchters

 

 

Het pontificaal van Sinte Marie in de Universiteitsbibliotheek van Utrecht: een controversieel pontificale, met verluchtingen door de Meester van Catherina van Kleef

 

 

© Copyright Universiteitsbibliotheek Utrecht

 

Een van de belangrijkste en beroemdste verluchters van middeleeuwse handschriften is de Meester van Katharina van Kleef. Zijn identiteit is onbekend. Hij is vernoemd naar zijn onbetwiste meesterwerk, het Getijdenboek van Katharina van Kleef dat zich in de Pierpont Morgan Library te New York bevindt (Hss. 917 en 945). Maar tussen ca. 1438 en 1460 heeft hij ook een reeks andere handschriften fraai geïllumineerd. Die gelden allemaal als topstukken uit die periode. Eén daarvan is in het bezit van de Universiteitsbibliotheek Utrecht: het Pontificale van Sinte Marie. Het Pontificale is niet alleen een prachtig gedecoreerd handschrift, maar ook in andere opzichten bijzonder ... en controversieel.

 

Een gebruiksaanwijzing voor de bisschop

 

Het woord pontificale komt van het Latijnse pontifex '(opper)priester'. Het pontificale werd gebruikt door de bisschop. Het bevat de teksten en handelingen die behoorden bij de liturgie, en die specifiek aan de bisschop voorbehouden waren: de voorbereidingen voor de mis, het toedienen van het vormsel, de wijding van clerici (bisschop, priester, diaken, subdiaken), lagere ordes (ostiarius en acoliet), en nonnen. In het tweede deel van het boek zijn de ceremonieën beschreven bij de wijding van altaren en kerken, de zegening van kerkelijke voorwerpen en gewaden, en de opheffing van de kerkban. Het Pontificale van Sinte Marie wordt besloten met de benedictiones, de bisschoppelijke zegeningen, op fol. 113-134.

 

Raadsels rondom het handschrift

 

Het Pontificale van Sinte Marie is het enige overgeleverde pontificale uit de middeleeuwen dat in de noordelijke Nederlanden vervaardigd is. Alleen om die reden al is het een bijzonder handschrift.

 

Maar het dankt zijn faam vooral aan de illuminaties van de Meester van Katharina van Kleef. Vanaf ca. 1880, toen het handschrift voor het eerst werd beschreven, wordt de vraag gesteld wanneer, waar en vooral voor wie het Pontificale is gemaakt en geïllumineerd. Hoewel de datering van rond 1450 wel vast staat, blijft de identiteit van de opdrachtgever gehuld in raadselen.

 

Op zoek naar de opdrachtgever

 

Een voor de hand liggende kandidaat is Rudolf van Diepholt, die van 1423 tot 1455 bisschop van Utrecht was. Onderzoek van Sophia Rochmes (University of California, Santa Barbara) wijst echter in de richting van een van de vijf kapittelkerken in Utrecht, waarvan de kanunikken dikwijls met de bisschop op gespannen voet leefden.

 

Het staat vast dat het Pontificale uiteindelijk in een van de kapittelkerken, de Mariakerk, werd bewaard. Het Pontificale bevat echter een tekstuele verwijzing naar Johannes de evangelist en apostel als patroon van de kerk, en dit doet vermoeden dat de Sint-Janskerk de opdrachtgever was. Om een keuze te maken tussen bisschop, Mariakerk en Sint-Janskerk is een goed beeld van wat er rond 1450 in Utrecht gebeurde noodzakelijk.

 

Kapittels en kanunniken

 

Rond 1100 waren er vijf kapittels in Utrecht, met ieder zijn eigen kerk: de Dom (gewijd aan Sint Maarten), Oudmunster (gewijd aan Sint Salvator), de Janskerk, de Pieterskerk en de Mariakerk. Iedere kerk had tussen de tien en twintig kanunniken, die de bisschop bijstonden in zijn functie. Zij leefden volgens een bepaalde regel, die wat soepeler was dan die voor monniken.

 

De kapittels bezaten goederen en landerijen in en buiten Utrecht, die er voor zorgden dat zij een behoorlijk inkomen hadden. De deken was de spirituele leider van een kapittel. Hij belegde bijvoorbeeld bijeenkomsten. De proost beheerde de goederen en landerijen, en was ook een van de negen aartsdiakens die de bisschop bijstonden in het besturen van zijn diocees. In de praktijk was de proost vaak de machtigste kapittelheer.

 

De macht van de Utrechtse kapittels

 

De bisschop van Utrecht had vrijwel de gehele noordelijke Nederlanden als zijn diocees, en functioneerde ook als wereldlijk leider (zoiets als een graaf) over het Sticht (de huidige provincies Utrecht, Overijssel, Drenthe en de stad Groningen). De keuze wie er bisschop werd was politiek maar ook religieus van groot belang.

 

Hierin speelden de kapittels een belangrijke rol, want zij stemden over deze kwestie, en zochten naderhand bevestiging van de paus. De kanunniken bepaalden ook wie hun eigen deken en proost werden, en dus het merendeel van de negen aartsdiakens. Dit gaf de kapittels een grote macht binnen het Sticht, en dat botste regelmatig met de ambities van de bisschop.

 

Strijd om de bisschopszetel: Rudolf contra Zweder

 

In 1423 stierf bisschop Frederik van Blankenheim. Onder druk van het stadsbestuur kozen de kapittels Rudolf van Diepholt als bisschop. De eigenzinnige deken van de Domkerk, Zweder van Culemborg, had zich ook kandidaat had gesteld. Hij protesteerde bij paus Martinus V, en kreeg deze in 1425 zover dat hij zelf als de nieuwe bisschop werd benoemd. De kapittels zagen zich genoodzaakt Zweder te erkennen. Zijn tegenstanders, onder leiding van de families Proeys en Van Lichtenberg, werden de stad uitgejaagd.

 

Het Utrechts Schisma

 

Zweder maakte zich echter snel onmogelijk in de stad, en vluchtte in 1426. Rudolf trok de stad binnen, en werd door de kapittels, de ridders en de burgers van Utrecht en het Sticht als hun landsheer erkend. Slechts enkele kanunniken steunden Zweder nog.

 

In 1427 deed de paus Utrecht in de ban, zodat er geen kerkelijke rituelen mochten worden uitgevoerd. Kloosterlingen en ook een aantal kanunniken trokken de stad uit, maar de rest negeerde de ban. Hiermee was het Utrechts Schisma een feit. De Utrechtse kerk onder Rudolf had zich als het ware buiten de Rooms-Katholieke kerk gezet.

 

De nieuwe paus erkent Rudolf

 

Zweder had machtige bondgenoten: zijn oom Jan II van Egmont en diens zoon Arnold van Egmont, hertog van Gelre (de man van Katharina van Kleef), en binnen Utrecht leden van de familie Van Lockhorst. Hij bevond zich hiermee bij de partij van de Kabeljouwen, die de aanspraken op het graafschap Holland door Philips de Goede van Bourgondië steunden. Utrecht was van oudsher een stad die Philips tegenstanders, de Hoeken, steunde.

 

De oorlog om de bisschopszetel leverde veel slachtoffers maar geen beslissing op. Rudolf sloot vrede met Gelre en Bourgondië, en de steun voor de zwakke Zweder te Dordrecht brokkelde af. In 1432 bevestigde de nieuwe paus Eugenius IV dat Rudolf de rechtmatige bisschop was. Zweder deed zijn beklag bij het kerkelijke Concilie van Bazel. Ook al werd hij nog maar gesteund door twaalf verbannen Utrechtse kanunniken, zijn claim werd in Bazel gehonoreerd. In die stad stierf Zweder tenslotte in 1433. Rudolf werd daarna door de bisschoppen van Münster en Osnabrück ingewijd.

 

Strijd om de bisschopszetel: Rudolf contra Walraven

 

In de voorgaande jaren hadden de kapittels zich hard gemaakt voor hun recht om de bisschop te kiezen, ook tegenover pauselijke oppositie. Rudolf was in hoge mate afhankelijk van de steun die hij onder de kapittels en in de stad genoot.

 

Dit bleek ook na de dood van Zweder. De twaalf verbannen Utrechtse kanunniken kozen de domproost Walraven van Meurs (of Moers) tot bisschop. Walravens broers waren bisschop van Münster en aartsbisschop van Keulen. Walravens aanspraken werden gesteund door het Concilie van Bazel, maar de paus deed Walraven in de kerkelijke ban. In 1448 zond de nieuwe paus Nicolaas V zijn legaat Nicolaas van Cusa naar Utrecht om het jubeljaar 1450 te promoten en aflaten (vergiffenissen voor zonden) uit de delen voor diegenen die naar Rome trokken. Cusa besliste dat Rudolf de rechtmatige bisschop was, en Walraven deed in januari 1449 uiteindelijk afstand van zijn claim.

 

Gevechten in de stad

 

Dit betekende nog niet het einde van Rudolfs problemen. Voor zijn positie was hij binnen Utrecht afhankelijk van de Hoekse partij: Proeys, Van Lichtenberg, Van Amerongen, en de Brederodes. Militaire ondersteuning verkreeg hij van de Montfoorts. De laatsten kregen echter ruzie met de Utrechtse raad, en Rudolf koos noodgedwongen in 1447 de kant van de raad.

 

Maar toen kwam Rudolf zelf in conflict met de stad over belastingen, en werd onheus bejegend door Johannes Proeys, de domdeken. Rudolf ontvluchtte de stad en belandde in de armen van Hendrik van Montfoort, met wie hij in oktober 1447 vrede sloot. In februari 1449 namen hun troepen Utrecht in en joegen de Proeysen en Van Amerongens de stad uit. De bisschop werd in het strijdgewoel in zijn been geschoten. De families Grauwert en Van Winssen, voorheen ook verbannen, leidden nu de raad. Montfoort sloot echter later dat jaar achter de rug van Rudolf om een verdrag met de Brederodes.

 

Rudolf tegen de kapittels

 

In juni 1450 stierf Hendrik van Moers als bisschop van Münster, en Walraven van Moers werd naar voren geschoven als zijn opvolger door zijn broer Diederik, aartsbisschop van Keulen. Rudolf ijverde voor de claim van zijn neef Koenraad van Diepholt, domproost van Osnabrück. Het leidde in 1451 tot oorlog, waarvoor Rudolf geld vorderde van de kapittels. Dit was natuurlijk tegen het zere been.

 

Rudolf werd door de kapittels succesvol tegengewerkt. Ze sloten zelfs de kerken om Rudolf te dwarsbomen. De kapittels werden daarbij geleid door de domproost Gijsbrecht van Brederode, die na Rudolfs dood in 1455 gekozen werd tot bisschop. Hij moest echter al snel het veld ruimen voor David van Bourgondië, de bastaardzoon van Philips de Goede.

 

Het Pontificale in context

 

In het algemeen blijkt dat de kapittels hun rechten beschermden tegenover de bisschop of de paus. Ook waren zij nauw verbonden met de politieke partijen binnen de stad. Veel kanunniken, en zeker de proosten en dekens, waren telgen van adellijke families of behoorden tot het Utrechtse patriciaat.

 

Het episcopaat van Rudolf laat zien dat hij in hoge mate afhankelijk was van welke zijde hij koos in alle verwikkelingen. Ook al was hij nominaal de religieuze en wereldlijke leider van het Sticht, in de praktijk waren er anderen die aan de touwtjes trokken, tot aan machtige heren zoals Philips de Goede aan toe. Het is in deze roerige tijd dat het Pontificale is vervaardigd.

 

Het jubeljaar 1450

 

Het Pontificale kan aan de hand van de activiteiten van de Meester van Katharina van Kleef, het penwerk en het schrift in de decennia rond 1450 worden gedateerd. Een belangrijke aanwijzing bevindt zich in de ondermarge van fol. 16r. De paus staat op een balkon boven een openstaande gouden deur, terwijl een menigte pelgrims zich aan het verzamelen is. Paus Nicolaas V had 1450 uitgeroepen tot een bijzonder jubeljaar. Veel pelgrims reisden dat jaar af naar Rome om de heilige deur te kunnen binnengaan.

 

Dit wijst erop dat het handschrift in de jaren rond 1450 is geïllumineerd, pakweg tussen 1448 (toen Nicolaas van Cusa in de Nederlanden aankwam) en 1452. Veel later kan het niet geweest zijn, omdat de afbeelding dan zijn actualiteit had verloren.

 

Het Getijdenboek van Montfoort, 1449-50

 

De Meester van Katharina van Kleef werkte in deze periode ook mee aan het Getijdenboek van Montfoort (Wenen, Österreichische Nationalbibliothek, S.n. 12878; zie Pächt 1975, 24-36; Clark 2009). Het grootste gedeelte van dat handschrift is gedecoreerd door Willem Vrelant, die in 1449 werd ingeschreven als burger van Utrecht (zijn familie kwam uit Vreeland nabij Utrecht). In 1454 stond Vrelant ingeschreven bij het St-Lukasgilde te Brugge, waar hij voor de rest van zijn leven actief bleef.

 

De decoraties van het Getijdenboek van Montfoort en die van het Pontificale tonen opmerkelijke overeenkomsten. Zo vinden we verschillende soorten bloemen (fol. 13r, 37r en 90r), een groene papagaai (16r, 90r), een vogel met takje (63v), de houding van de bisschop (63v) en de spelende dieren (90r) op precies dezelfde wijze afgebeeld in het Getijdenboek van Montfoort (vgl. Hulshof 1944, 232-233).

 

Het Getijdenboek van Montfoort bevat de tafelen met zondagsletters (littera dominicalis) die beginnen met het jaar 1450. Samen met wat we weten over de activiteiten van Willem Vrelant wijst dit op een vervaardiging in 1449 of 1450.

 

Gezien de nauwe overeenkomsten met het Pontificale moet die ook in die jaren gedecoreerd zijn. In 1449 kregen Montfoort en Rudolf van Diepholt de stad Utrecht in handen, en het is in die situatie waarin we beide handschriften moeten plaatsen. Dat bekent echter niet dat we daarmee gelijk de opdrachtgever van het Pontificale kunnen achterhalen.

 

Eigendom van het Mariakapittel

 

Het Pontificale telt nu 134 bladen. In de loop der tijd zijn er zeven bladen uitgehaald (na de huidige folio's 11, 13, 15, 54, 58, 64 en 71). Wellicht is dit gebeurd toen het zich in de Mariakerk bevond. Graffiti op het schutblad wijst daar ook op. Ook in de Zwolse Bijbel dat zich in het Mariakapittel bevond, werd graffiti geschreven en werden er bladen met miniaturen uit het handschrift gesneden. Dit gebeurde echter vooral in de decennia rond 1700.

 

Op het schutblad en fol. 1r van het Pontificale staat het eigendomskenmerk geschreven: Pontificale ecclesiae beatae Mariae Traiectensis, en op het laatste blad staat Finis pontificalis ecclesiae beatae Mariae Traiectensis. Alle zijn geschreven in een hand die te dateren is in de 16e eeuw, en die ook elders in het handschrift enkele aanvullingen en correcties heeft aangebracht. Dit toont aan dat het Pontificale in de Mariakerk nog gebruikt is.

 

Het Pontificale wordt niet genoemd in de catalogus van de stadsbibliotheek van 1608, maar wel in die van haar opvolger, de universiteitsbibliotheek, van 1670 (I, p. 98): Pontificale ecclesiae B. Mariae trajectinae. No. 248a. Het nummer geeft het kast- en planknummer in de bibliotheek weer, waar ook andere handschriften stonden. Op het schutblad staat tevens 'Dit boek hoort in het kastje naast het hek aan de regter sijde als men hier is ...', geschreven door iemand in de 17e eeuw.

 

In 1562 leende het Mariakapittel een pontificale uit aan Nicolaas de Castro, een van zijn kanunniken, die in 1561 bisschop van Middelburg was geworden. Het ging om quendam librum in membrana eleganti littera conscriptum et nuncupatum Pontificale (Van Campen 1968): een zeker handschrift van perkament in elegante letters geschreven dat pontificale wordt genoemd. Dit kan heel goed om ons Pontificale gaan. Het is zelfs denkbaar dat de eigendomskenmerken in het handschrift zijn geschreven omdat het werd uitgeleend.

 

De eenhoorn, het hert en de pauw

 

Of het Pontificale ook voor het Mariakapittel is vervaardigd, is onzeker. In het handschrift zelf zijn hier geen aanwijzingen voor. Er wordt wel gewezen op de aanwezigheid in de rechter marge van fol. 1r van een eenhoorn. Tot de kostbaarste kerkschatten van de Mariakerk behoorden drie eenhoornen (in feite van narwallen) die een geschenk zouden zijn geweest van Hendrik IV (keizer van het Heilige Roomse Rijk 1084-1106).

 

In de middeleeuwen beschouwde men de eenhoorn als een zeer schuw dier dat alleen gevangen kon worden door een zuivere maagd. De eenhoorn symboliseert derhalve de maagd Maria, de patrones van de Mariakerk. Dit zou er op kunnen wijzen dat het Pontificale voor de Mariakerk was bestemd. Het is inderdaad aannemelijk dat de eenhoorn symbool staat voor Maria, maar dit verwijst niet noodzakelijkerwijs naar de Mariakerk.

 

De eenhoorn staat in de rechtermarge iets boven het midden. Iets onder het midden staat zijn tegenhanger, een hert. In de antieke wereld en de middeleeuwen dacht men dat herten slangen doden, en het hert stond daarom symbool voor Christus, vijand van de slang (duivel).

 

We vinden dus zowel Maria en Christus (met in het midden een lezend persoon) symbolisch weergegeven, en dit impliceert geenszins een band met de Mariakerk. Op fol. 99r staat bovenaan een pauw met twee riemen met teksten erop. Op de linkerriem wordt verwezen naar Jezus als heiland (salvator), op de rechter naar Maria via de titel van de hymne Salve regina ('wees gegeroet, koningin'). Wederom zijn Jezus en Maria gespiegeld. De pauw in het midden symboliseert zowel de wedergeboorte (wederopstanding) van Jezus als Maria de koningin der hemelen (vgl. Dittrich & Dittrich 2005, 348).

 

Herkomst uit de Sint-Janskerk?

 

Het staat vast dat het Pontificale voor een Utrechtse kerk bestemd was, want op fol. 27v staat bij de sectie over de bisschoppelijke eed: Ego (N) traiectensis ecclesie vocatus episcopus: 'Ik (naam), genoemd bisschop van de kerk van Utrecht'.

 

Er wordt ook driemaal verwezen naar de aartsbisschop van Keulen. Hiermee wordt een oude formule herhaald, de aartsbisschop speelde wat de benoeming betreft al lang geen rol van betekenis meer.

 

Bij de benedictiones op fol. 128v vinden we een andere specifieke verwijzing. In de tekst van de bisschoppelijke zegening bij de wijding van een kerk staat: intercedente beato Iohanne apostolo et ewangelista vel patrona huius ecclesie et ceteris sanctis suis: 'door tussenkomst (bemiddeling) van Johannes de apostel en evangelist of de patroon van deze kerk en andere van zijn (Gods) heiligen'. Oftewel, de patroon van de ingewijde kerk werd aangeroepen, of die van de moederkerk, die van Johannes de apostel en evangelist.

 

Er is in Utrecht maar één kerk met Johannes als patroon, en dat is de Janskerk, van het kapittel van Sint Jan. Dit zou betekenen dat het Pontificale ook voor die kerk was gemaakt, anders zou Johannes niet als patroon worden opgevoerd.

 

Twee Johannessen

 

In de editie van de benedictiones in het Pontificale (Alberts & Bouman 1958) wordt gesteld dat Pontificale voor de St-Janskerk was gemaakt. J.W.C. van Campen (1959) voert echter aan dat de patroon van die kerk Johannes de Doper was. Maar wat doet deze formule dan in een Utrechts pontificaal?

 

Onderzoek naar de zegels van de proosten en dekens en de oorkonden van de Janskerk wijst uit dat al in de 13e eeuw zowel Johannes de Doper als Johannes de apostel en evangelist als patroon van de Janskerk worden genoemd, of een van beiden. Zo werd in 1456 Jan van Schiedam, pastoor van de kerk te Alkmaar, kanunnik van de kerk van Sint Johannes de Evangelist te Utrecht genoemd (Palmboom 1995, 21-23).

 

Het intercedente beato Iohanne apostolo et ewangelista verwijst dus zeer waarschijnlijk naar de Janskerk, waar het Pontificale blijkbaar voor bedoeld was.

 

De tekst van de zegeningen

 

De bisschoppelijke zegeningen zijn grotendeels gebaseerd op de tekst zoals die in 1280-1290 werd opgesteld door Willem Durand, bisschop van Mende in Frankrijk. Hierbij zijn enkele locale zegeningen toegevoegd, die slechts in een paar andere handschriften voorkomen (Moeller 1968; 1973, 44-47).

 

Vrijwel dezelfde tekst staat in Utrecht, Universiteitsbibliotheek Utrecht, Hs. 366 (Kartuizerklooster Nieuwlicht, 15e eeuw), en een handschrift uit 1569 van het benedictijnerklooster Oostbroek (De Bilt) in Brussel, Koninklijke Bibliotheek, Hs. 392 (13913), wat een kopie van de tekst in het Pontificale lijkt te zijn. Deze teksten gaan waarschijnlijk terug op het pontificale dat voor Utrecht was vastgesteld door bisschop Jan van Arkel (1342-1364), die zich op Durand baseerde. Maar beide ontberen de sectie met intercedente beato Iohanne apostolo et ewangelista.

 

De tekst van de bisschoppelijke zegening bij de wijding van een kerk (met intercedente beato Iohanne apostolo et ewangelista) is geen onderdeel van het pontificaal van Durand. Onzeker is of het ook in de versie van Jan van Arkel stond. Deze bisschop had in ieder geval geen band met het kapittel van de Janskerk. Het blijft mogelijk dat de formule intercedente beato Iohanne de fout van een kopiïst is, maar dan zou hij een exemplaar moeten hebben gebruikt dat aan de Janskerk toebehoorde, of aan bijvoorbeeld de Sint-Janskerk te Den Bosch.

 

Zonder andere bewijzen om dit te ondersteunen blijft het uitgangspunt dat het kapittel van Sint-Jan de afnemer van het Pontificale was. Maar dan rijst onmiddelijk de vraag: waarom en voor wie?

 

Een pontificale voor een kapittel

 

We hebben nu twee aanwijzingen: beato Iohanne apostolo et ewangelista als patroon wijst naar het kapittel van de Janskerk als opdrachtgever van het Pontificale. En het Pontificale is in de 17e en wellicht 16e eeuw in het bezit van het Mariakapittel geweest.

 

Het was niet ongebruikelijk voor kapittelkerken om een pontificale te bezitten als de bisschop daar de mis kwam opdragen. De Utrechtse kapittels waren erg rijk en het aanschaffen van luxueuze handschriften was niet uitzonderlijk. De deken van het Mariakapittel, Hermannus Droem (stierf 1476) bestelde de zesdelige Zwolse Bijbel (Hs. 31) en de zevendelige Zuid-Hollandse Bijbel (nu in Rome, Biblioteca Casanatense, Mss 4212-4218), die ieder een fortuin kostte.

 

De iconografie (de manier waarop zaken zijn afgebeeld) ondersteunt het argument dat het Pontificale niet door een bisschop is besteld, maar door een van de kapittelheren.

 

Het bewijs van de iconografie

 

Onderzoek van Sophia Rochmes (2009) heeft een opmerkelijk aspect aangetoond van de afbeeldingen van de bisschop in het Pontificale. De bisschop staat vijftien keer afgebeeld in een initiaal:

• voorbereiding van de mis (1r)

• confirmatie (10r)

• wijding van een ostiarius (deurwachter, de laagste kerkelijke graad) (13r)

• wijding van een exorcist (bezweerder) (14r)

• wijding van een acoliet (misdienaar) (14v)

• wijding van een subdiaken (16r)

• wijding van een diaken (17r)

• wijding van de bisschop (25v)

• wijding van nonnen (37r)

• wijding van de eerste steen van een kerk (63v)

• wijding van een kerkhof (90r)

• annulering van excommunicatie (met het huis van een stad afgebeeld) (93r)

• annulering van excommunicatie van een kerkhof (98r)

• wijding van liturgische kleding (99r)

• zegening (113r)

 

Op twee initialen na wordt de bisschop afgebeeld in vol bisschopppelijk ornaat, met de mijter op zijn hoofd. Bij de voorbereiding van de mis en de wijding van liturgische kleding is dat niet het geval, maar het is duidelijk dat het ook om de bisschop gaat.

 

In alle vijftien gevallen, zelfs bij de wijding van de bisschop, vinden we een figuur die altijd vlak achter hem staat en vaak de bisschoppelijke staf heeft overgenomen. Aan zijn kleding is te zien dat het hier om de aartsdiaken gaat. De bisschop moet nadrukkelijk zijn ruimte binnen de initiaal delen met de aartsdiaken.

 

Rochmes beargumenteert dat dit geen toeval is. Dit is geen persoonlijk pontificaal dat aan een bepaalde bisschop toebehoort, en die alleen hem in het middelpunt zet. Dit is bijvoorbeeld te zien in het in Frankrijk vervaardigde pontificaal van David van Bourgondië (Haarlem, Tylers Museum, Hs. 77), de uiteindelijke opvolger van Rudolf van Diepholt. Volgens Rochmes benadrukt het Pontificale van Sinte Marie dat de bisschop onderdeel is van de kerkelijke hierarchie.

 

Niet de persoon maar de functie wordt uitgebeeld: de handelingen van de bisschop en de kleding en objecten die daarmee gepaard gaan. Deze objecten bevinden zich in de marge, van de sleutel en de altaarbel van de ostiarius (13v) tot aan de mijter en staf van de bisschop (35v en 49r).

 

Een boodschap aan de bisschop

 

De bovenstaande analyse van de iconografie van het Pontificale is natuurlijk gebaseerd op wat er nu nog van het handschrift over is. De zeven bladen die waarschijnlijk ook, en wellicht nog uitbundiger gedecoreerd waren, ontbreken.

 

Maar wat het handschrift nu nog bevat aan aanwijzingen wijst duidelijk naar een kapittel als opdrachtgever. Het kan zijn dat het Pontificale bedoeld was voor de bisschop als deze in de kapittelkerk zijn liturgische handelingen verrichtte. Misschien was het wel bedoeld als gift voor Rudolf van Diepholt nadat hij zich in 1449 als onbetwiste bisschop in Utrecht had gevestigd. Maar als dat zo is, dan weten we niet zeker of hij het ooit ontvangen heeft, omdat hij al spoedig weer met de kapittels onenigheid kreeg.

 

Hoe dan ook, als Rudolf of enige andere bisschop het Pontificale ter hand zou nemen, dan was de boodschap duidelijk: een bisschop stond in dienst van de kerk, en had de steun van de aartsdiakens nodig om zijn functie uit te oefenen. In Utrecht waren de aartsdiakens voornamelijk de proosten van de kapittels. En Rudolf had veelvuldig ondervonden dat zonder hun steun zijn positie precair werd.

 

Dirck van Wassenaar, proost van het kapittel van Sint Jan

 

Boven is betoogd dat het kapittel van Sint Jan de opdrachtgever van het Pontificale was. Aangezien de nadruk ligt op de relatie tussen de bisschop en de aartsdiaken, en de aartsdiaken de proost was, moeten we kijken wie de proost van de Sint-Janskerk was rond 1450.

 

We komen dan uit bij Dirck van Wassenaar. Hij werd in 1416 domkanunnik, en was van 1422 tot aan zijn dood in 1465 proost van het kapittel van Sint Jan (en dus aartsdiaken van de bisschop). In 1438 werd hij tevens proost van West-Friesland (de kop van Noord-Holland), en was daarmee een van de de tweede aartsdiaken namens de Domkerk. Philips de Goede had tijdens het Utrechts Schisma zijn raadsheer en aalmoezenier Fortigarius de Placentia uit Brugge naar voren geschoven in dezelfde functie. Dirck zal niet veel met Philips de Goede op hebben gehad.

 

Dirck was de zoon van Philips (stierf 1427), heer van Wassenaar en burggraaf van Leiden. Dircks broer Hendrik van Wassenaar (stierf 1447) had een zoon die eveneens Philips heette. Deze Philips was in maart 1449 domkanunnik geworden, en werd in juni 1450 de nieuwe proost van West-Friesland (zie de lijsten in Drakenborch 1744; Janse 2001, 216, 226). Dircks fraaie tombe is nog steeds te bezichtigen in de Janskerk, waar wordt vermeld dat hij ook prothonotarius papae was, een notaris in dienst van de pauselijke kanselarij.

 

Dirck van Wassenaar was een invloedrijk man. Zijn relatie met Rudolf van Diepholt is niet geheel duidelijk, maar zijn familie kwam uit het Hoekse kamp, al had Dircks broer Hendrik steun betuigd aan Philips de Goede. Rudolf was in 1449 in het zadel geholpen door de Montfoorts, die in deze periode ook aanpapten met de Bourgondische heer. Rudolfs vervreemding van het Hoekse kamp, dat hem zo lang had gesteund, zal hem niet in dank zijn afgenomen.

 

De kapittels stonden er verder op dat hun rechten en privileges zouden blijven gehandhaafd. Wellicht was het Pontificale een van de manieren om dat bij Rudolf of welke bisschop dan ook onder de aandacht te brengen. Het zou betekenen dat Dirck daar het initiatief toe had genomen. Maar deze redenatie steunt geheel en al op de formule intercedente beato Iohanne. Het mag echter wel als zeer aannemelijk worden beschouwd dat een van de kapittelheren het Pontificale had besteld, en niet de bisschop zelf, ook al was het misschien wel voor hem bestemd.

 

Margedecoratie

 

Naast 'functionele' afbeeldingen decoreerde de Meester van Katharina van Kleef het Pontificale ook met 'drolleries': gekkigheden in de marge die niet altijd iets met de tekst te maken hebben. Deze bevinden zich op de pagina's met de gehistoriseerde initialen. We hebben gezien dat de afbeelding van de paus met de pelgrims een duidelijke contemporaine betekenis heeft, aangezien het verwijst naar het jubeljaar 1450.

 

De twee zingende monniken (fol. 14r), de bijenkorven met bijen als symbool voor de onbevlekte ontvangenis (14v), twee steenhouwers aan het werk (63v) of een musicerende engel (37r) hebben een duidelijke relatie met de tekst, of passen qua symboliek in een liturgisch boek als het Pontificale. Of bijvoorbeeld de door volgels belaagde uil (10r), het stekelvarken en de aap met de hoepel (17r) of de twee vechtende hanen (98r) een relevante symbolische betekenis hebben, is onduidelijk. Nader onderzoek naar de symboliek van deze afbeeldingen kan hier misschien meer duidelijkheid in brengen.

 

Een oorkonde met drie zegels

 

Er is nog een margedecoratie die wellicht iets weergeeft over de tijd waarin het Pontificale werd vervaardigd. Op 113r staan in de benedenmarge drie figuren. De linker is vaag en beschadigd. De middelste, met het gouden krulhaar, houdt een schaaltje vast, en de rechter is een bebrilde man die een oorkonde met drie zegels vasthoudt.

 

Op de oorkonde staat in minuscule letters geschreven: 'Allen die genen die dezen zellen sien of horen lesen doen wij verstaen' (Bijvanck & Hoogewerf 1922-25, 32). Dit is een formule die regelmatig wordt gebruikt in oorkonden of proclamaties, in Utrecht door het stadsbestuur (schout en schepenen) of een van de kapittels. De gebrilde man met zwart krulhaar, zonder de tonsuur van een kanunnik, en de wapens op de twee van de zegels, doen vermoeden dat het gaat om een oorkonde of proclamatie van het stadsbestuur.

 

De familiewapens

 

Friedrich Gorissen (1967, 16 en 66) stelt dat het bij de zegels gaat om de wapens van de families Morel (?) en Lockhorst (of Lochorst). Die laatsten worden met andere handschriften van de Meester van Katharina van Kleef in verband gebracht, maar hadden hun invloed in Utrecht grotendeels verloren na het vertrek van Zweder van Culemborg.

 

Het linkerwapen kan niet in verband worden gebracht met de familie More(e)l of een ander geslacht. Het rechterwapen lijkt nauwelijks op het uitgestulpte schuinkruis uit het wapen van Lockhorst. Het gaat om twee elkaar kruisende dunne lijnen met aan de uiteinden een vierkantje. Dit lijkt op geen enkel regulier wapen van een familie uit Utrecht of omgeving.

 

In het grote rode zegel in het midden is vaag een gezicht te zien. Het blijft onduidelijk of de zegels abstract zijn uitgebeeld, zonder te verwijzen naar een bepaalde familie, of dat juist wel doen, maar dat tot op heden niet ontdekt is om wie het gaan. Vooralsnog kan beargumenteerd worden dat de afbeelding symbool staat voor de macht van het stadsbestuur, waarmee Rudolf als bisschop een onbestendige relatie had.

 

Maar misschien is het simpelweg een van de 'drolleries' die geen duidelijke betekenis heeft - of is die betekenis te subtiel of tijdsgebonden voor ons om nog te achterhalen.

 

De decoraties van Meester van Katharina van Kleef

 

Het Pontificale is duidelijk een prestigeobject. De opdrachtgevers van de Meester van Katharina van Kleef kwamen normaal gesproken uit de adellijke hoek.

 

Zijn stijl is onmiskenbaar, zeker in de fraaie gehistoriseerde initialen met de bisschop en aartsdiaken in het middelpunt en de prachtige margedecoraties. Hij verzorgde ook het figuratieve penwerk in de marge, zoals de eenhoorn en hert op fol. 1r, en de aanzet tot een gezicht op 90r (Gerritsen-Geywitz 2003a, 97).

 

Opmerkelijk is dat van de vijftien nu bekende handschriften die de Meester van Katharina van Kleef heeft geïllumineerd, het Pontificale één van de twee is waar hij dat alleen heeft gedaan. In een belangrijke studie concludeert Anne Korteweg (2009, 44-73) dat de Meester alleen werkte (later met een compagnon), en dus niet in een atelier met meerdere miniaturisten.

 

Hij ging aan de slag nadat de schrijver en de penwerker hun werk hadden gedaan, en ruimte hadden overgelaten voor miniaturen en gehistoriseerde initialen. Voor het schrift is (nog) geen ander handschrift gevonden dat duidelijk door dezelfde schrijver is geschreven. Volgens Gisela Gerritsen-Geywitz (2003a, 100-101) is het simpele penwerk in en om de lombarden (simpele initialen) alleen bekend uit een Middelnederlands getijdenboek gemaakt voor het bisdom Utrecht (Brugge, Stadsbibliotheek, Hs. 323; zie Parmentier 1945).

 

Conclusie

 

Binnen het nu bekende oeuvre van de Meester van Katharina van Kleef, heeft het Pontificale een unieke positie. Alle andere handschriften waaraan de Meester (mee)werkte, zijn getijdenboeken en historiebijbels of bijbels. Verder is opmerkelijk dat de Meester in zijn eentje de decoratie deed.

 

De identiteit van de opdrachtgever is onduidelijk, wellicht door het ontbreken van zeven bladen. Het is in ieder geval waarschijnlijk dat het Pontificale in 1449 of 1450 in Utrecht is vervaardigd. De iconografie laat zien dat een van de kapittels de opdrachtgever was. De formule intercedente beato Iohanne apostolo et ewangelista ... verwijst naar de patroonkerk van de opdrachtgever, het kapittel van de Janskerk - en zodoende naar de proost, de invloedrijke Dirck van Wassenaar.

 

Dit wordt echter niet ondersteund door de iconografie, want het symbool voor Johannes, bijvoorbeeld de adelaar, de kelk, of Johannes in een vat met kokende olie, is niet duidelijk aanwezig. Die symboliek staat wel in het Getijdenboek van Katharina van Kleef (fol. 310v). Overigens zijn er ook geen duidelijke verwijzingen naar een van de andere kapittels, inclusief het Mariakapittel. Ook wat dat betreft is het Pontificale niet specifiek van één bisschop, één kapittelheer of één kapittel, maar juist een onpersoonlijk handschrift dat de nadruk legt op de relatie tussen bisschop en zijn aartsdiakens.

 

Nemen we aan dat het Pontificale lang in de Janskerk heeft gelegen, dan kunnen we wellicht verklaren hoe het in de Mariakerk terechtkwam. Na de beeldenstorm in 1580 verkocht de Janskerk het resterende boekenbezit aan de overige kapittels. Het Utrechtse vroedschap had toen al het besluit genomen om de Janskerk in te richten als stadsbibliotheek (de voorloper van de universiteitsbibliotheek).

 

Als het Pontificale toen nog in de Janskerk lag en werd verkocht aan het Mariakapittel, dan is het plaatje compleet. Maar het is waarschijnlijker dat het Pontificale in 1562 al in het Mariakapittel was, gezien de verwijzing naar hrt pontificale dat het kapittel in 1562 uitleende. Een sluitend verhaal is er dus niet.

 

Verder onderzoek

 

Het onderzoek naar het Pontificale van Sinte Marie is nog niet afgerond. Er kan nog gezocht worden naar handschriften die qua schrift of penwerk overeenstemmen met het Pontificale. Inhoudelijk gezien zijn de benedictiones weliswaar in editie verschenen, maar de rest van de tekst (inclusief correcties) van het Pontificale nog niet. Beide wachten nog op een diepgaande analyse die ons meer kunnen vertellen over de herkomst van deze teksten.

 

De iconografie, inclusief de wapens op de oorkonde op fol. 113r, blijft intrigeren. De geschiedenis van Utrecht in deze periode - Rudolf van Diepholt, de stadsraad, de edelen en de kapittels - is nog maar summier beschreven. Het boekenbezit van de kapittels en hun rol als opdrachtgevers wachten ook nog op nader onderzoek. Veel aspecten van het Pontificale zullen altijd wel vaag blijven, maar aan de andere kant valt er ook ongetwijfeld nog het een en ander te ontdekken over het Pontificale van Sinte Marie.

 

Copyright © Roel Wiechers, 2013. All Rights Reserved