Meester van Evert Zoudenbalch - Master of Evert Zoudenbalch - Maître d'Evert Zoudenbalch

Lexicon van Boekverluchters

Wolfenbüttel, Herzog August Bibliothek, Cod Guelf. 18.2 Aug. qu, f. 124v: Mercurius (detail)

 

Meester van Evert Zoudenbalch

 

Master of Evert Zoudenbalch | Maître d'Evert Zoudenbalch

 

Noord-Nederlandse boekverluchter. De leidende Utrechtse boekverluchter van het 3e kwart van de 15e eeuw. Ontleent zijn naam aan een bijbel die hij verluchtte voor Evert Zoudenbalch, kanunnik en tresorier van de Utrechtse Dom. Door Hoogewerff 1936 genoemd Meester Zeno, maar deze naam is in ongebruik geraakt.

 

De Meester van Gijsbrecht van Brederode was de voornaamste helper van de Meester van Evert Zoudenbalch.

 

De meester van Evert Zoudenbalch munt uit in zijn kleurbehandeling, vooral door zijn vibrerende streken en het contrast dat hij bereikt tussen warme (vermiljoenrood, roze

en citroengeel) en koelere kleuren (een scala van groen- en blauwnuances, inclusief

blauw-groen, grijs-groen en grijs-blauw).

 

Te oordelen naar de ronde, ietwat kinderlijke gezichten in enkele van zijn veron¬derstelde vroege werken, was hij misschien afkomstig uit Keulen, of is hij daar in de leer geweest. Ook zijn voorkeur

voor lichte kleuren en pasteltinten en het gebruik van gouden filigrain decoratie in sommige van zijn randversieringen, doen denken aan de stijl van de uit Keulen afkomstige Stephan Lochner (vergelijk bijv. de Kroning van de Maagd uit het te Malibu bewaarde getijdenboek met Lochner’s Madonna met Kind in de rozenkrans). Evenals deze Lochner kan hij heel goed behalve als miniaturist ook als paneelschilder werkzaam zijn geweest: o.a. worden vaak een triptiek in het Centraal Museum in Utrecht, een Calvarieberg in Providence, Rhode Island, en een helaas in slechte staat verkerende muurschildering van de Boom van Jesse in de Utrechtse Buurkerk, aan hem toegeschreven.

 

Wolfenbüttel, Herzog August Bibliothek, Cod Guelf. 18.2 Aug. qu, f. 123v: Vrouw Fortuna (detail)

 

 

De Meester van Evert Zoudenbalch besteedde voorts veel aandacht aan het afbeelden van landschappen en interieurs, waarbij hij de invloed van Jan van Eyck onderging. Vergelijk bijv. de gevangenneming van Christus in het befaamde Milaan-Turijnse getijdenboek (soms toegeschreven aan Jan van Eyck) en in het getijdenboek van Jan van Amerongen. In dit getijdenboek bespeuren we ook de invloed van de Meester van Catharina van Kleef, vgl. bijv. Christus voor Pilatus op folio 38v met dezelfde afbeelding in het getijdenboek van Catharina van Kleef, reden waarom Chatelet van mening is dat de Meester van Evert Zoudenbalch wellicht leerling is geweest van de Meester van Catharina van Kleef.

 

Het handschrift in Wolfenbüttel, Herzog August Bibliothek, Cod Guelf. 18.2 Aug. qu. Natuurkunde van het geheelal, neemt een bijzondere plaats in het oeuvre van onze meester in. Het handschrift is geen luxueus werk op perkament, maar een verhandeling van de hemellichamen op gewoon papier. Toegevoegd is een klein deel met medische recepten in het Latijn. In de Middeleeuwen stonden hemellichamen en dat met name de stand daarvan in nauw verband met de gezondheid van mensen en medische behandeling van ziektes en kwalen. Een dokter diende dan ook kennis te hebben van deze hemellichamen. Mogelijk werd het handschrift bewaard in een van de Utrechtse ziekenhuizen of in de medische sectie van de bibliotheek van een klooster. Anderzijds werd het mogelijk vervaardigd voor privégebruik door iemand met bijzondere belangstelling voor hemellichamen en geneeskunde. Dit kan dan de verklaring zijn voor de miniaturen met hun personificatie van de zeven planeten en de tekenen van de dierenriem, welke afbeeldingen op zich geen functionele betekenis hebben. Zo wordt de wijkende maan in verband gebracht met de ongrijpbare, grillige Vrouwe Fortuna, die wordt afgebeeld met haar rad van fortuin, rota Fortunae (Wheel of Fortune, roue de Fortune) met een vos, hond, leeuw en een aap erin (f. 123r). Het moge duidelijk zijn dat de twaalfde eeuw, vaak ook opgevat als een Renaissance, een turbulente periode was. In de literatuur van die tijd verschijnt, eigenlijk vrij plotseling zo lijkt het, de metafoor van Vrouwe Fortuna die draait aan haar rad. Zij treedt niet alleen op in teksten, maar ook in afbeeldingen. Lange tijd was haar beeld afwezig geweest. Beroemd was haar verschijning in het werk De Consolatione Philosophiae van de zowel laat-antieke als vroeg-middeleeuwse schrijver Boethius uit de zesde eeuw. Daarna bleef het eeuwenlang stil rondom haar, hoewel De Consolatione steeds een veel gelezen werk bleef. Er werd wel gesproken van fortuna met een kleine letter, om wisselingen in het lot mee aan te duiden, maar pas eind elfde eeuw treedt zij weer in persoon naar voren.

 

Veel is al gezegd over de hernieuwde aandacht voor het rad van fortuin in kunst en literatuur van de twaalfde eeuwse Renaissance. Het is duidelijk dat het optreden van toeval en wisselvalligheid de mensen veel meer bezighield dan voorheen. Fortuna was een Romeinse godin. De uiteenlopende betekenissen die in de loop der tijden aan Fortuna zijn gehecht kunnen we op verschillende gebieden traceren. Het toeval, het onbepaalde, het ongedetermineerde en de rol daarvan in het universum is een thema dat de mensheid door de eeuwen heen heeft beziggehouden. Noodlot, Fortuna en Toeval als onderdelen van de universele keten van oorzaak en gevolg zijn geanalyseerd door filosofen, zijn door theologen ingepast in het systeem van voorzienigheid, zijn gepersonifieerd door dichters en zijn op uiteenlopende manieren uitgebeeld in de kunsten.

 

Ten tijde van de Utrechtse Meester van Evert Zoudenbalch was Fortuna nog blind, en daarom wist zij niet wat zij deed. De Utrechtse miniaturist is met dit gegeven creatief omgegaan. Hij heeft de vrouw die Fortuna moet voorstellen uitgedost met een prachtige bos goudkleurig, loshangend haar, die voor haar ogen hangt, zodat zij niets kan zien. De dieren op het rad: koning leeuw helemaal beneden, de vos met een poot in de geldbuidel helemaal boven, de aap op weg naar de top en de (adellijke) jachthonden op weg naar de ondergang.

 

Boethius beschrijft Fortuna als volgt:

“Grilligheid is mijn essentie; het is het spel dat ik nooit ophoud te spelen als ik draai aan mijn rad in de steeds veranderende cirkel, vervuld van vreugde als ik de bovenkant naar onderen breng en de onderkant naar boven. Ja, klim naar boven op mijn rad als je wil, maar klaag niet als je door hetzelfde rad begint te vallen, want dit zijn nu eenmaal de regels van het spel” (vrije vertaling uit het Engels).

Het rad zorgde ervoor dat mensen werden herinnerd aan de tijdelijkheid van aardse zaken, met name mensen van adel, van wie werd aangenomen dat zij in het bijzonder ontvankelijk waren voor de zonde van teveel ambitie en de grillen van het lot. Het is betere te streven naar hogere zaken, God en zijn goddelijk geïnspireerde filosofie, zo concludeert Boethius uiteindelijk. Deze zaken immers zijn immuun voor het wassen en afnemen van het fortuin. De afbeelding van Fortuna met haar Rad van Fortuin in combinatie met de maan wordt hierdoor duidelijk, nu ook de maan wast en afneemt.

 

(In describing Fortune, Boethius (speaking through Philosophy) provides us with a very visual description of the turning of the wheel: "Inconstancy is my very essence; it is the game I never cease to play as I turn my wheel in its ever changing circle, filled with joy as I bring the top to the bottom and the bottom to the top. Yes, rise up on my wheel if you like, but don't count it an injury when by the same token you begin to fall, as the rules of the game will require."

 

The Wheel served to remind people, particularly nobles who were seen as being the most susceptible to the sin of ambition and the wiles of Fortune, of the temporality of earthly things. Far better for one to aspire to higher things - God and his divinely-inspired philosophy, as Boethius eventually concludes in the Consolation; for these things are untouched by Fortune's waxing and waning.

 

The depiction of the Wheel of Fortune in combination with the moon is thus obvious, as the moon also is waxing and waning).

 

Catalogus

 

Brussel, Koninklijke Bibliotheek Albert I

 

Ms II 7619 getijdenboek van Jan van Amerongen/ Mary van Vronensteyn, Utrecht, ca 1460, verluchting door Meester van Evert Zoudenbalch: alle 12 volbladminiaturen; Meester van de Vederwolken en ande¬ren lit: Delaissé 1959, nr. 37||Middeleeuwse miniaturen van de Koninklijke Bibliotheek van België, z.j. (uitgave Cultura), afb. 37||Brussel 1977 (1), nr. 48||Utrecht/New York 1989, nr. 62

 

Luik, Bibliothèque de l'université

 

Ms Wittert 13 getijdenboek van Gijsbrecht van Brederode, Utrecht, ca 1465-1470, verluchting door de Meester van Gijsbrecht van Brederode en de Meester van Evert Zoudenbalch lit: Brassinne 1924 (1)||Byvanck en Hoogewerff 1925, nr. 104||Utrecht-New York 1989, nr. 65

 

Malibu, J. Paul Getty Museum

 

Ms Ludwig IX 10 getijdenboek, Utrecht, kort na 1460, verluchting door Meester van Evert van Zoudenbalch: de enige volbladminiatuur op f. 15v kroning van de Maagd, alsmede de 4 rechterranden op f. 115r, 118r, 202r, 264r; Meester van Gijsbrecht van Brederode: alle initiaalminiaturen en overige randversiering lit: Kraus 1964 (Catalogus 108), nr. 36||Delaissé 1968, p. 45, fig. 99|| Pächt-Jenni 1975, p. 82||Euw & Plotzek 1979-1985 (2), Ms. Ludwig IX 10||Utrecht/New York 1989, nr. 63

Wenen, Osterreichische Nationalbibliothek

 

Cod 2771-2772 Bijbel van Evert Zoudenbalch, Utrecht, kort na 1460, verluchting door Meester van Evert Zoudenbalch: o.a. cod 2771: f. 9r, 10r, 49v, 129v, 165r, 166v, 173r, 174v, 218v; Meester van Gijsbrecht van Brederode, de Meester van de Vederwolken en nog 3 anonieme verluchters lit: Vogelsang 1899, p. 28, 56 e.v.|| Beer 1912, nr. 1||Pächt-Jenni 1975, p. 43-85, kl. pl. IV-VI, figs. 80-261||Utrecht/New York 1989, nr. 61||Fingernagel & Gastgeber 2003, IV.5

 

Wolfenbüttel, Herzog August Bibliothek

 

Cod Guelf. 18.2 Aug. qu. Wilhelmi Walteri de Zirixsee descriptio terre sancte. Broeder Gheraerts Naturkunde (Natuurkunde van het geheelal), Utrecht, ca 1465-1470, verluchting door de Meester van Evert Zoudenbalch en met anderen lit: Pächt-Jenni 1975, p. 47, 50, 82, figs. 48-51||Utrecht/New York 1989, nr. 64

 

Literatuur

 

Vogelsang 1899, p. 28, 56 e.v.

Beer 1912, nr. 1

Brassinne 1924 (1)

Byvanck en Hoogewerff 1925, nrs. 102, 104

Hoogewerff 1936, I, p. 544-560, 566-571

Byvanck 1937, p. 85-88

Delaissé 1959, nr. 37, p. 160-163

Middeleeuwse miniaturen van de Koninklijke Bibliotheek van België, z.j. (uitgave Cultura) (alleen afbeelding 37)

Boon 1961

Carter 1961-1962

Kraus 1964 (Catalogus 108), nr. 36

Delaissé 1968, p. 45, fig. 99

Brussel 1971, nrs. 25 en 40

Pächt-Jenni 1975, p. 43-85, kl. pl. IV-VI, figs. 48-51, 80-261

Brussel 1977 (1), nr. 48

Euw & Plotzek 1979-1985 (2), ms. Ludwig IX 10

Chatelet 1980, p. 164-166, 167-168, 242-243

Utrecht/New York 1989, p. 198-211, nrs. 61-65

Voelkle 1989

Fingernagel & Gastgeber 2003, IV.5

 

Copyright © Roel Wiechers, 2013. All Rights Reserved